HOENSBROEKSE SLACHTOFFERS VAN OORLOGSGEWELD


Ons lid Jan van den Berg heeft heel lang samen met Hans Heltzel (z.g.) gewerkt aan een onderzoek naar personen, die een relatie hebben met Hoensbroek en die gedurende de bezetting of in de jaren daarna als gevolg van oorlogsgeweld om het leven zijn gekomen.

Dit jarenlange onderzoek heeft geleid tot in totaal meer dan 140 verschillende verhalen.
Op deze pagina kunt u de eerste resultaten hiervan lezen en die zullen in de komende maanden steeds verder aangevuld worden met nieuwe verhalen.

Inleiding

Hoensbroek of Gebrook in het Breuker plat, deel uitmakend van de historische Oostelijke Mijnstreek in Zuid-Limburg, was tot 1982 een zelfstandige gemeente. In dat jaar werd het een stadsdeel van de gemeente Heerlen. Hoensbroek heeft net als ieder andere leefgemeenschap een geschiedenis. Een geschiedenis - in de vorm van geschreven bronnen - die omstreeks 50 v.C. een aanvang neemt met de komst van de Romeinen in Zuid-Limburg. Tot dan werd het gebied bewoond door de Eburonen, een volksstam dat volgens de een deel uitmaakte van de Kelten. Anderen zien hen als Germanen of Galliërs.
Het kleine stukje aarde, dat later bekend zou worden als Hoensbroek, heeft sindsdien veel meegemaakt. Sommige gebeurtenissen zijn goed beschreven. Wij kunnen ons daarover een duidelijk beeld vormen. Maar andere zaken zijn minder bekend.
Het is een taak van de Heemkundevereniging Hoensbroek om onderzoek te doen naar de plaatselijke geschiedenis en om de uitkomsten ervan te publiceren zodat eenieder hiervan kennis kan nemen.

De publicatie Hoensbroekse oorlogsslachtoffers, welke u nu inziet op de website van de Heemkundevereniging Hoensbroek, is het resultaat van een uitgebreid en langdurig onderzoek naar bepaalde gebeurtenissen die nog niet zo heel lang geleden hebben plaatsgevonden.
Het gaat om personen die een relatie hebben met Hoensbroek, die om het leven zijn gekomen door oorlogsomstandigheden, in een periode die begint met de mobilisatie van het Nederlandse leger in augustus 1939 als voorbereiding op wat later de Tweede Wereldoorlog genoemd zal worden, gevolgd door de Tweede Wereldoorlog zelf, de Koreaanse Oorlog, de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog en eindigend met de Eerste Indochinese Oorlog. De grote historische lijnen van deze conflicten zijn ons weliswaar bekend, maar de kleine, veelal persoonlijke verhalen, die eveneens deel uitmaken van deze conflicten, zijn met de tijd min of meer verloren gegaan of dreigen dat te doen. Voor het eerst is er een omvangrijk en systematisch onderzoek gedaan naar hetgeen de Hoensbroekse oorlogsslachtoffers toen is overkomen, op basis waarvan verhalen zijn gereconstrueerd, die met de publicatie op deze website voor iedereen toegankelijk worden.

Achtergronden van het onderzoek
Deze inleiding wil ingaan op de achtergronden van het onderzoek. Aan de publicatie is immers het een en ander vooraf gegaan. Waarom is dit onderzoek gedaan? Waren er andere motieven, buiten hetgeen hierboven al is vermeld, om dit onderzoek te doen? Wanneer is men hiermee begonnen en op welke wijze heeft het onderzoek zich voltrokken? In de loop van de tijd zijn tal van besluiten genomen om richting aan het onderzoek te kunnen geven. Wij willen u van dit alles gaarne op de hoogte brengen.
De publicatie Hoensbroekse oorlogsslachtoffers is het resultaat van een onderzoek dat in naam van de Heemkundevereniging Hoensbroek is verricht.
Hoe is dit zo gekomen?
In het najaar van 2007, kort na haar oprichting, kwam er bij het bestuur van de vereniging een verzoek binnen. De vraag was of de vereniging een onderzoek wilde doen naar, zoals dat toen al werd genoemd, de Hoensbroekse oorlogsslachtoffers. Men was op zoek naar de namen van oorlogsslachtoffers, inclusief hun geboortedatum en overlijdensdatum. De indieners van het verzoek wilden de gegevens laten plaatsen op een herdenkingsplaquette, die geplaatst zou moeten worden bij het oorlogsmonument aan de Markt in Hoensbroek. Ieder jaar vind hier op 4 mei de Nationale Dodenherdenking plaats. In de oorspronkelijke opzet van deze herdenking ging het uitsluitend om de Nederlandse slachtoffers die gevallen waren in de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1961 wordt officieel een ruimere definitie gehanteerd: Tijdens de Nationale Dodenherdenking herdenken wij allen - burgers en militairen - die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord, sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.
Het oorlogsmonument aan de Markt is een uit Franse peronsteen vervaardigd beeld van een biddende vrouw, met aan haar voeten een kind. Het beeld symboliseert het onvolledige gezin. De weduwe van een gevallen strijder bidt met opgeheven hoofd en gevouwen handen tot God om haar kinderen bij te staan, opdat het zware offer niet tevergeefs gebracht zal zijn. Aan de voet van deze weduwe strooit een geknield kind bloemen op een graf om de gedachtenis aan de dierbaren levend te houden. Het beeld is geplaatst op een voetstuk met een bakstenen kern. In het voetstuk is een plaquette ingemetseld van witte natuursteen met daarop de tekst: 1940-1945 Dank aan hen die vielen voor het vaderland.

Hans Heltzel en Jan van den Berg
Het verzoek om een onderzoek te starten naar de Hoensbroekse oorlogsslachtoffers werd binnen de vereniging doorgegeven aan de Werkgroep Historie en Heemkennis. Binnen de werkgroep werden twee personen bereid gevonden om dit onderzoek te doen: Hans Heltzel en ondergetekende, Jan van den Berg. Echter, het doel van het onderzoek zou in de loop van de tijd gewijzigd worden. Deze wijziging bracht met zich mee dat het onderzoek pas eind 2017 zou worden afgerond. Al met al heeft het onderzoek dus zo’n tien jaar geduurd.
In het vervolg van deze inleiding zal regelmatig het woord ‘wij’ genoemd worden, hiermee verwijzend naar de twee onderzoekers: Hans Heltzel en ondergetekende. Ik kende Hans al van vóór de oprichting van de vereniging. Wij deelden niet alleen een gemeenschappelijke interesse: de Tweede Wereldoorlog. Daar kwam nog bij dat onze karakters elkaar aanvulden en wij graag met elkaar omgingen. Sinds eind 2007 hebben wij ons intensief bezig gehouden met dit project. Samen hebben wij haar omvang en inhoud bepaald, problemen besproken en oplossingen gevonden. Ieder van ons heeft wekelijks op individuele wijze tal van uren besteed aan dit project. Minimaal een keer per week kwamen wij enkele uren bijeen. Wij bespraken dan de voortgang van de afgelopen week, deelden de informatie die wij gevonden hadden en maakten nieuwe afspraken voor de komende week. Onze samenwerking verliep uitstekend en ging langzaam maar zeker deel uitmaken van ons levenspatroon.
Heel onverwacht kwam Hans in september 2015 te overlijden. Het project was op dat moment voor ongeveer driekwart gereed. Het laatste deel van het onderzoek heb ik derhalve alleen moeten doen. Maar het resultaat - hetgeen nu op de website van de vereniging is te zien - is en blijft voor altijd een product van ons beiden. Deze publicatie draag ik dan ook op aan Hans. Op deze wijze wil ik hem postuum danken voor zijn vriendschap en inzet.

Wijzigingen doel onderzoek
Hierboven is al aangegeven dat het doel van het onderzoek in de loop van de tijd is gewijzigd. Het was oorspronkelijk de bedoeling om alleen de namen te achterhalen van de Hoensbroekse oorlogsslachtoffers, met hun geboorte- en overlijdensdatums. Maar wij hebben onszelf al vanaf het eerste begin een aanvullende opdracht gegeven. Ons voornemen was om meer gegevens te achterhalen omtrent de slachtoffers. Waar kwamen zij vandaan en wat is er met hen gebeurd? Op welke wijze hebben zij hun leven gelaten? In het begin werkten wij met een lijst, met daarop de namen van een beperkt aantal oorlogsslachtoffers. De lijst zou met de jaren alsmaar langer worden. Van het kleine aantal oorlogsslachtoffers op de eerste lijst hebben wij alle informatie proberen te verzamelen. Wij zagen het als een soort testcase. Zouden wij erin slagen om aanvullende gegevens te vinden over deze mensen? Na enige tijd werd het ons duidelijk dat wij daartoe zeer wel in staat waren. De bronnen met informatie waren weliswaar verspreid en soms duurde het lang voordat wij toestemming ontvingen om bepaalde documenten te mogen inzien, maar het was te doen en het leverde heel veel materiaal op. Wij hebben daarop besloten om de door onszelf gegeven aanvullende opdracht te continueren en toe te passen op alle oorlogsslachtoffers.

Het doel van het onderzoek is ook vanwege andere redenen gewijzigd.
Nadat wij waren gestart werden wij al snel geconfronteerd met een aantal vragen waarop een antwoord moest komen om het onderzoekswerk enige richting te kunnen geven. Wat bedoelen wij nu met Hoensbroekse oorlogsslachtoffers? Om het anders te formuleren: welke personen maken deel uit van het Hoensbroekse en wie behoren tot de groep oorlogsslachtoffers? Ook was er de vraag: moeten wij ons onderzoek beperken tot de Tweede Wereldoorlog? De antwoorden die wij toen hebben gegeven, hebben geleid tot een breed opgezet en daarmee tijdrovend onderzoek.
Met betrekking tot de term Hoensbroekse was onze conclusie dat het in ons onderzoek moest gaan om personen die in Hoensbroek waren geboren, overleden, begraven, of die een deel van hun leven in deze woonplaats hebben gewoond. De slachtoffers hebben derhalve een relatie met Hoensbroek.

Hoe kwamen wij tot dit besluit?
In het onderzoek vonden wij ook informatie over Amerikaanse en Duitse soldaten die in de Tweede Wereldoorlog in Hoensbroek waren gesneuveld. Een aantal van hen was omgekomen op de dag dat Hoensbroek werd bevrijd, te weten 18 september 1944. Anderen verloren hun leven in de maanden die volgden op de bevrijding. Het zou spijtig zijn als wij deze informatie niet zouden gebruiken. Misschien zouden dit soort gegevens voor langere tijd weer uit ons blikveld verdwijnen, daarmee wachtend op een ‘nieuwe’ ontdekking.

Verruiming definitie 'oorlogsslachtoffers'
Met betrekking tot de term oorlogsslachtoffers kwamen wij tot het besluit dat het niet correct zou zijn om een bepaalde groep slachtoffers uit te sluiten van het onderzoek. Dit zou het geval zijn geweest als wij de definitie van oorlogsslachtoffers hadden overgenomen die door de Nederlandse Oorlogsgravenstichting in Den Haag wordt gehanteerd. In haar statuten omschrijven zij het begrip oorlogsslachtoffers als volgt: 'Militairen van de Nederlandse krijgsmacht die na 9 mei 1940 zijn gevallen en Nederlandse burgers die, hetzij metterdaad de vijand bestrijdende dan wel ten gevolge van hun handelingen of houding tegenover de vijand, het leven hebben verloren'. Ook Nederlandse militairen en burgers die door de overheid zijn uitgezonden en omgekomen tijdens humanitaire en/of vredesmissies, vallen onder deze beschrijving.
Het hanteren van de definitie van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting betekent dat bepaalde Hoensbroekse burgers niet tot de oorlogsslachtoffers worden gerekend. Het gaat om personen die in de Tweede Wereldoorlog de dood vonden toen zij door een kogel werden getroffen of door een bom of granaat die op hun woning neerkwam. Hun namen komen niet voor in het bestand van de Nederlandse Oorlogsgraven-stichting. Wij vonden dit niet terecht en besloten daarom de definitie te verruimen.
Door het verruimen van de definitie waren wij derhalve in staat om andere groepen slachtoffers in het onderzoek op te nemen, bijvoorbeeld de kinderen die stierven ten gevolge van een verkeersongeval met een legervoertuig. Voordat Hoensbroek bevrijd werd door het Amerikaanse leger, beperkte het verkeer in deze woonplaats zich hoofdzakelijk tot fietsers en door paarden getrokken karren. Gemotoriseerd verkeer kwam in de bezettingsjaren weinig voor, mede door brandstofgebrek als gevolg van de oorlog en omdat velen hun motorvoertuig op last van de bezetter hadden moeten inleveren. Er was maar een kleine groep mensen die nog in het bezit was van een motorvoertuig. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de huisartsen. Maar met de komst van het Amerikaanse leger, later ook dat van de Britten, nam het gemotoriseerd verkeer in Hoensbroek in zeer korte tijd spectaculair toe. Hierop was de plaatselijke bevolking, in het bijzonder de kinderen, allerminst voorbereid. Dit had de genoemde verkeersongevallen als gevolg. Men kan hierover van mening verschillen: zijn dit nu oorlogsslachtoffers of moeten wij spreken van verkeersslachtoffers? Wij hebben dus voor het eerste gekozen.

Volgens ons is het onmogelijk om de term oorlogsslachtoffers eenduidig af te bakenen. In het bestand van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting staan bijvoorbeeld ook de namen van militairen die niet zozeer door een rechtstreekse oorlogshandeling om het leven zijn gekomen. Sommigen hebben hun leven verloren toen zij in hun vrije tijd aan het zwemmen waren en verdronken. Anderen werden getroffen door een kogel uit hun eigen dienstwapen, toen deze per ongeluk op de grond viel. Weer anderen werden getroffen door een kogel, afkomstig uit hun eigen dienstwapen, toen zij deze aan het reinigen waren. Een aantal militairen vonden de dood bij een verkeersongeval, hetgeen ook sommige kinderen in Hoensbroek overkomen was. Ten slotte waren er militairen die kwamen te overlijden nadat zij een ernstige ziekte hadden opgelopen. Met deze voorbeelden willen wij laten zien dat het wel of niet toekennen van de term oorlogsslachtoffer niet zo eenvoudig en eenduidig is. Het betreft een grijs gebied.
Het verruimen van de definitie kent nog een ander aspect. Met deze ruime benadering van de term oorlogsslachtoffers zijn wij in staat om de ‘diverse gezichten’ van een oorlog te laten zien. Vaak gaat het om gebeurtenissen waar men normaliter niet zo bij stil staat. Zo liepen de kinderen van Hoensbroek niet alleen gevaar door de drukte op de wegen, er was nog iets anders. Na de bevrijding kon men op verschillende plekken in deze gemeente munitie aantreffen van Amerikaanse en Duitse makelij. Het gaat dan niet om munitie die in depots waren opgeslagen. Deze werden immers bewaakt. Het betreft munitie die her en der verspreid lag en die nog niet ontdekt en verzameld was. Met name voor de kinderen, die graag buiten in de natuur speelden, was dit gevaarlijk. Zich niet bewust van het gevaar speelden zij met deze munitie en namen het soms mee naar huis. Minstens een kind is om het leven gekomen toen de munitie tot ontploffing kwam, anderen raakten gewond.

Wij hebben de term oorlogsslachtoffer verder uitgebreid, omdat wij in het onderzoek ook informatie vonden over Hoensbroekse inwoners die in de Tweede Wereldoorlog in het Duitse leger hebben gediend en gesneuveld zijn. Sommigen van hen hadden de Nederlandse nationaliteit, anderen bezaten de Duitse nationaliteit. De motieven van de Nederlanders om in het Duitse leger te dienen zijn niet bekend. Soms geven de feiten in hun verhalen daarover een indicatie. De zonen van Duitse gezinnen die in Hoensbroek woonden, moesten het leger in na het bereiken van een bepaalde leeftijd. Zij werden daartoe opgeroepen. Anderen hebben zich vrijwillig aangemeld.
Bij het onderzoek stuitten wij ook op informatie over een aantal Duitse inwoners van Hoensbroek die in de Tweede Wereldoorlog een voorname functie vervulden binnen de plaatselijk Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartij (NSDAP). Van hen ging er bijvoorbeeld een naar de Waffen-SS en verloor zijn leven. Een ander nam vlak voor de bevrijding van Hoensbroek de benen, maar werd in de omgeving van Kerkrade gedood tijdens een vuurgevecht met de Amerikanen.

'Goed' én 'fout'
Bovengenoemde groepen oorlogsslachtoffers hebben wij eveneens in het onderzoek opgenomen en wederom met de reden dat het spijtig zou zijn als wij deze informatie niet zouden gebruiken, dat hun verhalen wellicht weer voor lange tijd uit ons blikveld zouden verdwijnen, wachtend op een ‘nieuwe’ ontdekking.
Met het verruimen van het onderzoek kwam nog een ander kwestie naar boven, die wij nader moeten toelichten. Door te kiezen voor een breed opgezet onderzoek, gaat het niet alleen maar over personen die ‘goed’ waren geweest in de oorlog, maar ook over mensen, waarvan in de volksmond wordt gezegd dat zij ‘fout’ waren. Omdat het hier om een gevoelige kwestie gaat, kunnen niet alle slachtoffers ‘gekoppeld’ worden met het oorlogsmonument aan de Markt in Hoensbroek. Zij die het voornemen hebben om een herdenkingsplaquette te laten plaatsen bij het monument, moeten hiermee terdege rekening houden.
Eerder in onze inleiding hebben wij ons de vraag gesteld wat wij bedoelen als wij het hebben over de Hoensbroekse oorlogsslachtoffers? Resumerend op hetgeen hierboven is verteld kunnen wij het volgende antwoord geven: personen die een relatie hebben met Hoensbroek en die door oorlogsomstandigheden om het leven zijn gekomen.

Ook slachtoffers van latere conflicten
Met betrekking tot de vraag of wij ons zouden moeten beperken tot de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog kwamen wij tot het oordeel dat ook de latere conflicten in het onderzoek opgenomen dienden te worden. Daarom bestrijkt het onderzoek de periode die begint met de mobilisatie van het Nederlands leger als voorbereiding op wat later genoemd zal worden de Tweede Wereldoorlog, gevolgd door de Tweede Wereldoorlog zelf, de Koreaanse Oorlog, de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog en eindigend met de Eerste Indochinese Oorlog.
Het onderzoek heeft 147 verhalen opgeleverd, waarin de namen worden genoemd van 175 personen, die door oorlogsomstandigheden om het leven zijn gekomen en die allemaal een of andere relatie met Hoensbroek hebben gehad. Als men dit wil kan men de slachtoffers in categorieën plaatsen. Deze indeling is subjectief. Wij hadden net zo goed voor een andere indeling kunnen kiezen. Hieronder volgt een korte uitleg over deze categorieën.

Militairen die dienst deden in het Nederlandse leger, tijdens de mobilisatie die vooraf ging aan de Tweede Wereldoorlog.
Enkele dagen voordat het Duitse leger Polen binnenviel en daarmee de Tweede Wereldoorlog startend, kon de Nederlandse regering niet meer om de oorlogsdreiging heen. Op 28 augustus 1939 volgde dan ook de algemene mobilisatie en binnen een paar dagen bevonden zich ongeveer 280.000 soldaten in hun oorlogsstellingen. Zij versterkten hun posities door het bouwen van bunkers, het graven van tankgrachten, het aanleggen van prikkeldraadversperringen en mijnenvelden. In die periode vonden er ongevallen plaats. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komt één naam voor.

Militairen die dienst deden in het Nederlandse leger, tijdens de Duitse inval in de Tweede Wereldoorlog.
Op 10 mei 1940 viel het Duitse leger ons land binnen en op 15 mei was de capitulatie van Nederland een feit. Bij de aanvang van deze strijd was het Nederlandse leger dankzij de mobilisatie weliswaar paraat, maar was het niet opgewassen tegen het oppermachtige Duitse leger. Bij de strijd verloren ruim 2.300 Nederlandse militairen hun leven, ruim 7.000 soldaten raakten gewond en ruim 271.000 militairen werden door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen drie namen voor.

Militairen met een Nederlandse nationaliteit, die tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Engeland de strijd tegen Duitsland hebben voortgezet.
Een deel van de Nederlanders heeft na de capitulatie van Nederland vanuit Engeland de strijd weten voort te zetten tegen Duitsland. Zij dienden bij de landmacht, luchtmacht of marine. Zij maakten deel uit van Nederlandse eenheden die onder Brits bevel stonden, bijv. de Prinses Irene Brigade en het 320e Squadron Royal Dutch Navy Air Squadron. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen twee namen voor. Deze militairen vonden de dood tijdens gevechtsoperaties in België en Frankrijk.

Militairen met een Duitse nationaliteit, die in de Tweede Wereldoorlog dienst deden in het Duitse leger.
In Hoensbroek woonden relatief veel Duitse gezinnen. Zij waren naar ons land verhuisd vanwege de steenkolenmijnen. Een aantal gezinnen woonden reeds tientallen jaren in Hoensbroek toen de oorlog uitbrak. Een deel van hun zonen werd opgeroepen voor dienst in het Duitse leger, toen zij een bepaalde leeftijd hadden bereikt, maar anderen hebben zich vrijwillig opgegeven. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen zeventien namen voor. Deze soldaten verloren hun leven in landen als Rusland, Wit-Rusland, Oekraïne, Polen, Litouwen, Letland, Tsjechië, Italië, Frankrijk en Tunesië.

Militairen met een Nederlandse nationaliteit, die in de Tweede Wereldoorlog dienst deden in het Duitse leger.
Een aantal Nederlanders heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog gevochten in het Duitse leger. Zij dienden in de landmacht, marine of Waffen-SS. Een deel van hen heeft dit op vrijwillige basis gedaan en ieder had zo zijn eigen motieven, al zijn die niet bekend. Er waren er ook die in het Duitse leger terecht kwamen, niet op basis van vrijwilligheid, maar meer door manipulatie en dwang. Deze soldaten vochten voornamelijk aan het oostfront, slechts enkelen van hen werden ingezet in het westen. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen zeventien namen voor. Zij sneuvelden in Rusland, Oekraïne, Estland, Letland, Polen, Duitsland en Frankrijk.

Burgers die in de Tweede Wereldoorlog getroffen werden door kogels, granaten of bommen.
Een aantal burgers verloren hun leven omdat zij getroffen werden door kogels, granaten of bommen. Dit gebeurde bij de Duitse inval op 10 mei 1940, tijdens de bezettingstijd die ongeveer vier jaar en vier maanden duurde, bij de bevrijding van Hoensbroek op 18 september 1944, alsmede de periode na de bevrijding tot aan de capitulatie van Duitsland in mei 1945. Deze burgers waren op het noodlottige moment op weg naar hun werk of zaten toen op hun werkplek. Anderen bevonden zich in hun woning of op school. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen tien namen voor. Zij vonden de dood in Hoensbroek, Heerlen, Brunssum en Stein.

Burgers die in de Tweede Wereldoorlog door represaillemaatregelen van de zijde van de bezetter slachtoffer werden.
Nadat het verzet een aanslag had gepleegd op een persoon of installatie werden burgers, veelal op basis van willekeur, opgepakt door de bezetter. Soms werden deze burgers geliquideerd. Dit gebeurde meestal op de plek waar het verzet de aanval eerder had gepleegd. De liquidatie gebeurde dan in het openbaar en moest anderen afschrikken. Soms gebeurde de liquidatie in het geheim. Het kon ook zijn dat burgers naar concentratiekampen werden overgebracht, waar zij ten slotte door mishandeling, ziekte, honger of uitputting om het leven kwamen. In een aantal gevallen werden burgers door de bezetter geliquideerd om een staking te breken of om te voorkomen dat er in de toekomst weer zo’n staking zou plaatsvinden. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen vier namen voor.

Burgers die in de Tweede Wereldoorlog in het verzet zaten, die in onderduik waren gegaan in verband met de Arbeitseinsatz, die volgens de bezetter een overtreding hadden begaan, die in het kader van de Arbeitseinsatz in Duitsland werkten, die na de bevrijding vanuit Duitsland naar Nederland terugkeerden.
Deze grote en nogal gedifferentieerde groep is onder een enkele categorie gebracht. Het is namelijk niet altijd duidelijk of iemand een verzetsman was, of een onderduiker of anderszins. Het kan ook zijn dat een bepaald persoon bijvoorbeeld verzetsman en onderduiker was. Een groep burgers was actief in het verzet. Zij pleegden sabotagedaden in fabrieken, werkplaatsen en mijnen, overvielen distributiekantoren om op die manier voedsel- en kledingbonnen te bemachtigen, staken gemeentearchieven in brand, hielpen bij het onderduiken, het verspreiden van illegale kranten enz. Een van hen verloor zijn leven tijdens de verzetsdaad, anderen werden later door de bezetter opgepakt. De meesten van de arrestanten werden vervolgens naar strafkampen in Duitsland gebracht waar zij door mishandeling, ziekte, honger of uitputting om het leven kwamen. In de loop van de oorlog ontstond er in Duitsland een groot tekort aan arbeiders. Daarom kwam de bezetter met de Arbeitseinsatz, oftewel de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Een deel van de mannen die hiervoor opgeroepen waren doken onder. Op hen maakte de bezetter jacht en zij die werden opgepakt kwamen eveneens in strafkampen terecht, waar velen de dood vonden door mishandeling, ziekte, honger of uitputting.

Burgers kwamen ook in strafkampen terecht omdat zij een of andere wet hadden overtreden. Zij waren bijvoorbeeld gearresteerd omdat zij in de zwarthandel actief waren of omdat zij een wapen bezaten. Zware mishandeling, ziekte, honger of uitputting zorgden er voor dat deze mensen hun daad met de dood moesten bekopen. Naast de mannen die waren onderdoken, waren er echter ook die gehoor gaven aan de Arbeitseinsatz. Zij gingen dus in Duitsland werken. De omstandigheden waarin zij terecht kwamen kon heel verschillend zijn. Sommigen hadden genoeg te eten, hun slaap- en werkplaatsen waren in orde en zij ontvingen medische verzorging indien dit noodzakelijk was. Anderen hadden het daarentegen zwaar en verloren hun leven door mishandeling, ziekte, honger en uitputting. Zij die in fabrieken werkten liepen tevens het gevaar het slachtoffer te worden van de vele geallieerde luchtbombardementen.

Ten slotte is er nog een burger die Duitsland had weten te overleven en die teruggekeerd was naar Nederland. Na zijn repatriëring kwam hij in Hoensbroek, door vlektyphus, alsnog te overlijden. Waarschijnlijk heeft hij deze ziekte opgelopen in het opvangcentrum van de repatriëringsdienst in Hoensbroek. Want in dit opvangcentrum is diverse keren vlektyphus uitgebroken, hetgeen niet zo vreemd is gezien de vreselijke hygiënische omstandigheden waarin de repatrianten in Duitsland hadden moeten leven. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen tweeëntwintig namen voor.

Joodse inwoners van Hoensbroek die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen in de Holocaust.
Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog woonden er in Hoensbroek elf Joodse gezinnen en een alleenstaande Joodse vrouw. Bij de Joodse gezinnen was er sprake van negen gemengde huwelijken, dat wil zeggen dat een van de partners Joods was, de ander niet. De bezetter had besloten om de Joodse partners niet af te voeren naar werk- en vernietigingskampen in Oost-Europa, om te voorkomen dat ook de niet-Joodse partner en de eventuele niet-Joodse kinderen getroffen zouden worden. Dit is waarschijnlijk de reden geweest dat de meeste Joodse inwoners van Hoensbroek de Holocaust hebben overleefd. Van twee gezinnen waren de partners, man én vrouw, Joods. Een van die gezinnen heeft de oorlog overleefd door onder te duiken. Het andere gezin werd door de bezetter opgepakt en afgevoerd. De ouders van dat gezin werden vermoord, de dochter bleef in leven. Zij overleefde het kamp en keerde na de oorlog naar Hoensbroek terug. De alleenstaande Joodse vrouw heeft de oorlog eveneens overleefd, maar op welke manier dit is gebeurd, is verder niet bekend. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen twee namen voor.

Joden die in de Tweede Wereldoorlog in Hoensbroek zaten ondergedoken, maar die door de bezetter alsnog opgespoord en vermoord werden.
Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog hebben in Hoensbroek een aantal Joden onderduik gevonden. In het door de Heemkundevereniging Hoensbroek in 2016 uitgegeven boek Joodse onderduikers in Hoensbroek kan men hun verhalen lezen. Bijna allemaal hebben zij de oorlog overleefd. Zij werden niet ontdekt. Een klein aantal van de onderduikers werd echter door de bezetter opgespoord en gearresteerd. Zij werden via Westerbork naar de werk- en vernietigingskampen in Oost-Europa afgevoerd, waar zij ten slotte werden vermoord. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen vier namen voor.

Joodse oud-inwoners van Hoensbroek die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen in de Holocaust.
Een groot aantal Joden heeft in het verleden een tijd lang gewoond in Hoensbroek. De meesten van hen kwamen uit Amsterdam en zijn naar Hoensbroek gekomen in verband met het werk in de steenkolenmijnen en de economische mogelijkheden die hierdoor waren ontstaan. Velen van hen begonnen een slagerij of dreven handel, enkelen werkten daadwerkelijk in de mijnen. Na verloop van tijd zijn de meesten weer teruggekeerd naar hun vorige woonplaats. In de oorlog werden de Joden door de bezetter opgepakt en via Westerbork afgevoerd naar de werk- en vernietigingskampen in Oost-Europa. In deze kampen vonden zij de dood, hetzij door vergassing, hetzij door het werk dat zij onder vreselijke omstandigheden moesten verrichten. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen achtendertig namen voor. Van deze mensen kwamen er achtentwintig om in Auschwitz, vijf in Sobibór, één in Blechhamer, één in Buchenwald en één in Oranienburg. Van twee personen is de plaats van overlijden niet met zekerheid vast te stellen.

Sinti die zijn omgekomen in de Tweede Wereldoorlog.
In Hoensbroek hebben Sinti en Roma gewoond die na een relatief korte tijd weer wegtrokken. Sinti en Roma zijn beter bekend onder de naam ‘zigeuners’. De Duitse bezetter maakte niet alleen jacht op Joden. Op een gegeven moment werden ook Sinti en Roma opgepakt en afgevoerd naar de diverse werk- en vernietigingskampen in Oost-Europa. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komt één naam voor.

Duitse militairen die in de Tweede Wereldoorlog zijn omgekomen tijdens de bevrijding van Hoensbroek.
Op 18 september 1944 werd Hoensbroek bevrijd door de US 2nd Armored Division ‘Hell on Wheels’. In het algemeen verliep de bevrijding voorspoedig, met relatief weinig materiële schade. Slechts op enkele plaatsen werd tegenstand geboden door Duitse soldaten. De bevrijding van Hoensbroek heeft slechts enkele uren geduurd. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen twee namen voor.

Amerikaanse militairen die in de Tweede Wereldoorlog in Hoensbroek zijn omgekomen na de bevrijding.
Voor zover bekend zijn er geen Amerikaanse soldaten gesneuveld tijdens de bevrijding van Hoensbroek. Deze plaats werd op 18 september 1944 bevrijd, maar dit betekende niet dat het oorlogsgeweld in Hoensbroek voorbij was. Op bepaalde momenten voerde de Duitse luchtmacht nog aanvallen uit. Bij een van die aanvallen was een dodelijk slachtoffer te betreuren onder de Amerikanen. Na de bevrijding werden rond Hoensbroek ook nog eens enorme hoeveelheden munitie opgeslagen, zowel van Amerikaanse als van Duitse makelij. Dit was niet van gevaar ontbloot. Zo is er op zeker moment een deel van de opgeslagen Duitse munitie langs de Wijngaardsweg in de lucht gevlogen. Bij deze zware explosie kwam minstens een Amerikaan om het leven. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen twee namen voor.

Duitse militairen die in de Tweede Wereldoorlog in Hoensbroek zijn omgekomen na de bevrijding.
Na de bevrijding van Hoensbroek was er niet alleen sprake van verliezen bij de Amerikanen, zoals hierboven besproken. Ook aan Duitse zijde vielen er na de bevrijding nog slachtoffers. Op 18 december 1944 werd boven Hoensbroek een Duits gevechtsvliegtuig neergehaald door de Amerikaanse luchtafweer, waarbij de bemanning om het leven kwam. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen vier namen voor, allen deel uitmakend van dat ene vliegtuig.

Burgers met een Duitse nationaliteit die in de Tweede Wereldoorlog in Hoensbroek een voorname functie vervulden binnen de NSDAP.
In iedere grotere Nederlandse gemeente, zo ook Hoensbroek, was de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei (NSDAP) vertegenwoordigd door een Ortsgruppe, met aan het hoofd daarvan een Ortsgruppenleiter. Voor zover bekend heeft Hoensbroek drie Ortsgruppenleiters gehad tijdens de vier bezettingsjaren. Van een van hen ontbreekt nadere informatie. Van de andere twee Ortsgruppenleiters was er een die later in de Waffen-SS is gaan vechten. Bij hem werd kanker geconstateerd en hij is enige tijd later aan deze ziekte overleden. Zijn verhaal komt voor in deze publicatie, zij het in een andere categorie, omdat hij in feite een militair was. De andere persoon, een burger, nam vlak voor de bevrijding van Hoensbroek de benen en kwam in de omgeving van Kerkrade bij een vuurgevecht met Amerikaanse militairen om het leven. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komt derhalve één naam voor.

Militairen die in de Tweede Wereldoorlog na de bevrijding dienst hebben gedaan bij de Binnenlandse Strijdkrachten.
De Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (BS) zijn in september 1944 opgericht, toen de bevrijding van Zuid-Nederland een aanvang nam. De BS bestonden uit leden van de drie belangrijkste verzetsgroepen, die tot dan weinig met elkaar hadden samengewerkt: de Ordedienst (OD), de Landelijke Knokploegen (LKP) en de Raad van Verzet (RVV). Omdat er een ernstig tekort was aan oud-verzetsstrijders, konden zich na de bevrijding ook anderen aansluiten bij de BS, de zogenoemde oorlogsvrijwilligers (OVW’ers). De Binnenlandse Strijdkrachten waren in eerste instantie verdeeld in twee delen: Bewakingstroepen en Stoottroepen. Later maakten ook andere groepen deel uit van de BS, waaronder de pas opgerichte Regimenten Infanterie (R.I.). De Bewakingstroepen hadden de taak om orde en rust te handhaven in de bevrijde Nederlandse gebieden. Zij vielen onder het plaatselijke Militaire Gezag. De Stoottroepen en Regimenten Infanterie vormden het vechtende deel van de BS. De Nederlandse regering in Londen wilde dat Nederlanders zij aan zij meevochten met de Amerikanen, Britten en Canadezen. De vechtende eenheden kwamen onder bevel te staan van geallieerde troepen. In veel gevallen werden de Stoottroepen en Regimenten Infanterie ingezet voor het handhaven van de orde en het uitvoeren van bewakingstaken in het veroverde deel van Duitsland. Een deel van de Binnenlandse Strijdkrachten is in 1945 - nadat Nederland helemaal bevrijd was en de capitulatie van Duitsland een feit - overgegaan naar de Koninklijke Landmacht dat heropgericht was. De BS hebben in Nederland en Duitsland verliezen geleden tijdens hun inzet. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen elf namen voor.

Burgers die na de bevrijding als politieke delinquenten werden geïnterneerd in kasteel Hoensbroek.
Na de bevrijding gebruikte men de bijgebouwen van kasteel Hoensbroek als gevangenkamp. In dit gevangenkamp werden politieke delinquenten opgesloten. Het gaat om personen die gecollaboreerd hebben met de Duitse bezetter, zij die ‘fout’ waren geweest. In dit soort kampen waar politieke delinquenten werden opgesloten, werden de geïnterneerden soms blootgesteld aan het wangedrag van hun bewakers. Haat en vergelding speelden daarbij een rol. Gevangenen werden niet alleen geestelijk en lichamelijk mishandeld, maar ook uitgehongerd, onthouden van medische zorg, seksueel misbruikt en in een aantal gevallen vermoord. Vaak moesten de gevangenen dwangarbeid verrichten, door te werken in de steenkolenmijn of door assistentie te verlenen bij het opruimen van allerhande munitie. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen acht namen voor.

Kinderen die na de bevrijding om het leven zijn gekomen bij verkeersongevallen met legervoertuigen.
Na de bevrijding van Hoensbroek waren de wegen vol met Amerikaanse en Britse legervoertuigen. De burgemeester van Hoensbroek, alsmede de militaire commandant, hadden de ouders gewaarschuwd om goed op hun kinderen te letten. De inwoners van Hoensbroek, met name de kinderen, waren totaal niet voorbereid op het massale gemotoriseerde verkeer, dat praktisch van de een op de andere dag ontstond. Dit heeft geleid tot een aantal dodelijke verkeersongevallen met legervoertuigen, waarbij kinderen betrokken waren. In deze categorie van oorlogs-slachtoffers komen zes namen voor.

Kinderen, die na de bevrijding om het leven zijn gekomen bij munitie-explosies.
Na de bevrijding werden in en rondom Hoensbroek grote hoeveelheden munitie opgeslagen, zowel van Amerikaanse als van Duitse makelij. De opslag van munitie was niet van gevaar ontbloot. Zo is er een keer een deel van de opgeslagen Duitse munitie langs de Wijngaardsweg in de lucht gevlogen, waarbij een 17-jarige jongen om het leven kwam. Er dreigde ook nog een ander gevaar. Met name de Duitse munitie werd niet voor de volle honderd procent verzameld en opgeslagen, omdat zij niet altijd tijdig werd gevonden. Soms waren het kinderen die deze munitie ontdekten en - onbekend met de gevaren - ermee begonnen te spelen. Dit leidde zo nu en dan tot ongevallen en een keer tot een ongeval met een dodelijke afloop. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen twee namen voor.

Nederlandse militairen die in de Tweede Wereldoorlog in Azië omgekomen zijn, tijdens de Japanse aanval op Nederlands-Indië.
In december 1941 begon de Japanse aanval op Nederlands-Indië. Bij de strijd om Nederlands-Indië waren niet alleen Nederlandse strijdkrachten betrokken. Het was een geallieerde strijd, waaraan ook Britten en Amerikanen deelnamen. In maart 1942 was de capitulatie een feit. Het was niet alleen een strijd op het land en in de lucht, maar ook op zee werd gevochten. In februari 1942 vond in de Javazee een gevecht plaats tussen een geallieerde vloot en een Japanse invasievloot. Het gevecht is bekend geworden als de ‘Slag in de Javazee’. De geallieerde vloot werd door de Japanners vernietigend verslagen. Veel marinemensen verloren daarbij hun leven. Zij hebben, wat men noemt, een zeemansgraf gekregen. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komt één naam voor.

Nederlandse militairen die in de Tweede Wereldoorlog in Azië omgekomen zijn, tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië.
Een aantal Nederlanders zaten tijdens de Japanse inval in Nederlands Indië in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). Zij overleefden de Japanse inval, maar werden gevangen genomen en opgesloten in kampen. Later werden zij door de Japanners overgebracht naar Birma, het huidige Myanmar, en Siam, het tegenwoordige Thailand. Zij moesten werken aan de beruchte Birma-Siam spoorweg, ook wel de ‘Dodenspoorlijn’ genoemd. Heel veel dwangarbeiders verloren hierbij hun leven. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen twee namen voor.

Nederlandse militairen die in de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog zijn omgekomen.
Direct na de capitulatie van Japan - augustus 1945 - werd de Republiek Indonesië uitgeroepen. Korte tijd later braken vijandelijkheden uit tussen de Britse troepen die strategische posities in de archipel hadden ingenomen en Indonesische nationalisten. Hierbij waren nog geen Nederlandse strijdkrachten betrokken. De regering van Nederland erkende de Republiek Indonesië niet als onafhankelijke staat en wilde troepen sturen om het gezag over haar kolonie weer te herstellen. Pas in maart 1946 werden Nederlandse troepen in Indonesische toegelaten om de Britse posities over te nemen. De strijd die toen ontstond wordt ook wel de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog genoemd. De Nederlandse regering sprak daarentegen liever van politionele acties. In december 1949 kwam er een einde aan de strijd toen in Amsterdam de soevereiniteitsoverdracht plaatsvond. De Republiek Indonesië was een feit. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen elf namen voor.

Nederlandse militairen die in de Koreaanse Oorlog in Azië zijn omgekomen.
De Koreaanse Oorlog was een oorlog tussen het door China en de Sovjet-Unie gesteunde communistische Noord-Korea en het door de Verenigde Naties, onder leiding van de Verenigde Staten, gesteunde Zuid-Korea. De directe oorzaak van het conflict lag in de na de Tweede Wereldoorlog doorgevoerde opsplitsing van het in 1910 door Japan geannexeerde Korea. De oorlog, die in 1950 een aanvang nam, eindigde in 1953 met een wapenstilstand. Nederland stuurde onder meer het Regiment van Heutsz naar Korea. Het regiment kwam onder Amerikaans bevel te staan en heeft zware gevechten moeten voeren en grote verliezen geleden, maar ook roem. Het regiment kreeg de hoogste Amerikaanse onderscheiding voor een legereenheid: de Distinguished Unit Citation. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komt één naam voor.

Nederlanders die gediend hebben in het Franse Vreemdelingenlegioen en die zijn omgekomen in de Eerste Indochinese Oorlog.
Een aantal Nederlanders heeft dienst genomen in het Franse Vreemdelingenlegioen. Deze daad had als gevolg dat hen het Nederlanderschap werd ontnomen. De Indochinese Oorlog bestond uit vier oorlogen die tussen 1947 en 1979 gevoerd werden. Aan de ene zijde vochten de nationalistische Vietnamezen en Chinezen, met aan de andere zijde de Fransen en Amerikanen. De benaming ‘Indochinees’ verwijst naar de oorspronkelijke Unie van Indochia (Frans Indochina), waarbinnen de huidige staten Cambodja Laos en Vietnam lagen. De Eerste Indochinese Oorlog oftewel Franse Oorlog begon tijdens de Tweede Wereldoorlog en duurde tot de Franse overgave in 1954. In deze categorie van oorlogsslachtoffers komen drie namen voor. Zij allen zijn in de Eerste Indochinese Oorlog om het leven gekomen.

Tot zover de indeling naar categorieën. In de toekomst zullen de namen of afkortingen van namen toegevoegd worden aan de verschillende categorieën. De 175 namen van personen zijn verwerkt in 147 verhalen. Sommige namen zijn immers ondergebracht in gezinnen, waarvan de leden hetzelfde lot hebben ondergaan. Dit is het geval bij Joodse gezinnen.

175 namen, 147 verhalen
De 175 namen van personen, die hierboven in de verschillende categorieën genoemd zijn, zijn verwerkt in 147 verhalen. Sommige namen zijn ondergebracht in gezinnen, die min of meer hetzelfde lot hebben ondergaan. Dit is het geval bij Joodse gezinnen.
Ieder verhaal heeft eenzelfde opbouw, maar uiteraard is de inhoud van de verhalen telkens verschillend. Eerst wordt er iets verteld over het gezin, waarin de persoon is opgegroeid. Wie waren zijn ouders, wat was de samenstelling van het gezin, het beroep van de vader, waar hebben zij gewoond en wat was hun nationaliteit?
Daarna gaat het verhaal verder over de persoon zelf. Wat waren zijn opleidingen, was hij getrouwd en had hij kinderen? Wat heeft hij of zij in de oorlog meegemaakt, wat was de doodsoorzaak en waar bevindt zich tegenwoordig het graf?
Het verhaal eindigt telkens met een bronvermelding.


Bronnen
Voor het onderzoek hebben wij gebruik gemaakt van tal van bronnen. Hier vindt u een overzicht van de belangrijkste:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Amsterdam
  • Burgelijke Stand Gemeente Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen
  • Burgelijke Stand Gemeente Heerlen, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen
  • Burgelijke Stand Gemeente Amsterdam
  • Archief Gemeente Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen
  • Archief Gemeente Heerlen, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen
  • Archief Gemeente Politie Amsterdam
  • Regionaal Historisch Centrum (RHCL) te Maastricht
  • Ministerie van Defensie, Bureau RIOP te Kerkrade
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork te Hooghalen
  • Yad Vashem The Central Database of Shoah Victim’s Names te Jeruzalem, Israël
  • Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland te Amsterdam
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn, Duitsland
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel, Duitsland
  • International Tracing Service (ITS) te Bad Arolsen, Duitsland
  • Staatsmijnen in Limburg, Jaarverslag over het jaar 1944
  • Krant Limburgs Dagblad
  • Krant Limburger Koerier
  • Krant Veritas, een verzetskrant uit de Tweede Wereldoorlog
  • Krant Deutsche Zeitung in den Niederlanden
  • Boek Nederlandse vrijwilligers in Europese krijgsdienst 1940-1945 van J. Vincx en V. Schotanius
  • Boek Het Verborgen Front van A.P.M. Cammaert
  • Boek Ondergang, de vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom, van J. Presser
  • Boek Vervolgd in Limburg, Joden en Sinti in Nederlands-Limburg tijdens de Tweede Wereldoorlog, van H. van Rens
  • Boek Stoottroepen 1944-1984 van P.M.H. Groen en C.M. Schulten
  • Boek Troepentransport naar Nederlands-Indië 1946-1950 van H.A.G.J.P. van Hanswijck de Jonge
  • Boek Laatste Bericht van Jack Kooistra
Behalve uit bovengenoemde informatiebronnen, die wij voor ons onderzoek frequent hebben geraadpleegd, hebben wij ook gegevens verzameld uit archieven van andere Nederlandse gemeenten. Ook hebben wij informatie opgevraagd en ontvangen van archieven van enkele Duitse gemeenten en de National Archives in de Verenigde Staten. Hetzelfde is gedaan bij Nederlandse en Duitse heemkundeverenigingen en bij de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen te Heerlen. De websites op internet, waaronder verschillende genealogische sites, en tal van boeken, kranten en tijdschriften, bleken een schat aan informatie te bevatten. Ook hebben wij personen geīnterviewd die de oorlog hebben meegemaakt of die iets konden vertellen over de oorlogsslachtoffers.

Het publiceren van al deze verhalen op de website van de Heemkundevereniging Hoensbroek, heeft als voornaamste voordeel dat de verhalen later gewijzigd kunnen worden. Wij hebben nimmer de illusie gehad dat ons onderzoek compleet zou zijn. Het kan bijna niet anders dan dat bepaalde personen niet in het onderzoek zijn opgenomen. Wij zijn hen domweg niet op het spoor gekomen. Ook zijn de verhalen verre van compleet. Dit alles heeft mede te maken met het feit dat de gebeurtenissen inmiddels wat verder in het verleden liggen. Van de nabestaanden, die de oorlog van nabij hebben meegemaakt, zijn velen inmiddels overleden. Vanwege de enorme omvang van het onderzoek en de beperktheid van onze beschikbare tijd, hebben wij zeker niet alles boven water weten te krijgen. Er komt altijd een moment waarop het besluit genomen moet worden om te stoppen met het onderzoek en over te gaan tot publicatie.
Wij zien de publicatie van deze verhalen dan ook als een eerste begin. Wij hopen reacties te krijgen van nabestaanden, familieleden en kennissen van de personen die in de verhalen worden genoemd. Wellicht kunnen zij ons wijzen op fouten en onvolkomenheden in onze verhalen en komen zij met aanvullende gegevens en foto’s. Dankzij de reacties zullen wij dan in staat zijn de verhalen te corrigeren en uit te breiden. De verhalen die voor het eerst gepubliceerd worden, zijn onderaan voorzien van de opmerking: Originele versie d.d. oktober 2018. Deze datum is aangehouden omdat toen het eerste verhaal haar definitieve vorm, bestemd voor de publicatie, heeft gekregen. De andere verhalen hebben weliswaar later hun definitieve vorm ontvangen, maar er is toch gekozen voor het aanhouden van eenzelfde datum. Als in de toekomst een verhaal gewijzigd wordt, dan zal onder aan het verhaal bijvoorbeeld de volgende opmerking staan: Gewijzigde versie d.d. augustus 2019.
Met het publiceren van deze verhalen is rekening gehouden met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Mochten er desondanks ten onrechte persoonsgegevens zijn gepubliceerd, wordt bij voorbaat excuses aangeboden voor deze omissie.

Als afsluiting nog de volgende opmerking.
Met het onderzoek en de publicatie van de verhalen proberen wij, conform de opdracht van een heemkundevereniging, donkere passages in de geschiedenis van Hoensbroek op te vullen. Maar het brede onderzoek, zoals hierboven is uiteengezet, heeft ook geleid tot het ontstaan van verhalen die gevoelig van aard zijn. Hierbij moet men bijvoorbeeld denken aan de verhalen van Nederlanders die in het Duitse leger zijn gegaan en politieke delinquenten die na de bevrijding c.q. oorlog in het gevangenkamp kasteel Hoensbroek werden opgesloten. Van hen wordt in de volksmond gezegd dat zij ‘fout’ waren. Het verleden kan voor nabestaanden als belastend worden ervaren, zo ook het publiceren van deze verhalen. Na overleg hebben ondergetekende en het bestuur van de Heemkundevereniging Hoensbroek gemeend deze verhalen toch te moeten publiceren, weliswaar onder bepaalde voorwaarden. Voordat de verhalen op deze website worden gepubliceerd heeft een ethische commissie - waar ondergetekende en een vertegenwoordiger van het bestuur deel van uitmaken - de verhalen tegen het licht gehouden voor wat betreft de gevoeligheid en de daarop te nemen maatregelen om die gevoeligheid deels weg te nemen. Welke zijn nu die maatregelen? Wij hebben gemeend er goed aan te doen om de volledige naam van het oorlogsslachtoffer in te korten tot de voornaam en de eerste letter van de achternaam. Wij hebben onszelf beperkingen opgelegd met betrekking tot het vermelden van hun geboorte- en trouwdatums. Daarvan wordt alleen het jaar genoemd. In de gevoelige verhalen zijn de namen van ouders, broers, zussen, partners en kinderen weggelaten. Dit zijn de belangrijkste maatregelen. Daarbuiten hebben wij - hiermee worden Hans Heltzel en ondergetekende bedoeld - vanaf het eerste begin geprobeerd om de gebeurtenissen te verwoorden op een zo objectief mogelijke manier. Met objectief wordt bedoeld dat de informatie in de verhalen afkomstig is van officiële documenten en niet iets ‘van horen zeggen’. Wij hebben ons willen beperken tot feiten en hebben ons persoonlijk oordeel over mensen niet in de verhalen opgenomen. Met bovengenoemde maatregelen hebben wij een poging gedaan om enige piëteit te betonen in de richting van de nabestaanden. Wij hopen hierin voldoende geslaagd te zijn, maar beseffen dat dit altijd arbitrair zal zijn. Het weglaten van verdere informatie zou volgens ons teveel afbreuk doen aan het historische karakter van de verhalen.

Waarom toch de gevoelige verhalen publiceren?
Deze publicatie is niet bedoeld om bepaalde mensen aan de schandpaal te nagelen. Maar de gebeurtenissen uit de oorlog maken nu eenmaal deel uit van de geschiedenis van Hoensbroek en het zwijgen daarover zou betekenen dat een deel ervan zou worden verstopt. Dit kan ook weer niet de bedoeling zijn. Soms zal de lezer, door het lezen van een verhaal met gevoelige inhoud, merken dat bepaalde kwesties niet zo eenvoudig in wit of zwart zijn uit te drukken of in ‘goed’ dan wel ‘fout’. Een oorlog kent vele ‘gezichten’, die zeer divers van aard zijn en ons niet altijd bekend zijn. Wij hopen dat deze persoonlijke verhalen ons inzicht daarover mag vergroten.

Heerlen, oktober 2018

terug naar boven Jan van den Berg


DE VERHALEN


Johan A.

Johan A. kwam in 1878 in Kerkrade op de wereld. Het gezin A. bestond uit: vader, moeder en negen kinderen.
Placeholder image
Plattegrond van kasteel Hoensbroek, met linksboven het slotgebouw en onderaan de tekening de bijgebouwen. Het linkerdeel van de bijgebouwen werd als gevangenis gebruikt voor politieke delinquenten.
Bron: Internet, kasteleninnederland.nl
De moeder van Johan was in Duitsland geboren. Het gezin heeft in Kerkrade op diverse adressen gewoond, het langst in de Bockstraat. De vader van Johan, die kleermaker van beroep was, kwam in 1910 in Kerkrade te overlijden, zijn moeder in 1932, eveneens in Kerkrade. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Johan A. was in 1921 in Kerkrade in het huwelijk getreden. Zijn echtgenote was in Duitsland geboren. Het stel kreeg drie kinderen. Johan werkte als stoker in een van de steenkolenmijnen. Het gezin woonde ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in de Pannesheiderstraat in Kerkrade.
Na de bevrijding van Zuid-Limburg werd de inmiddels gepensioneerde Johan A. als politiek delinquent opgesloten in Kasteel Hoensbroek, waarvan de bijgebouwen gebruikt werden als gevangenis. De reden voor zijn arrestatie kon niet meer worden achterhaald. Wel staat vast dat hij niet in het Duitse leger heeft gezeten.
Johan kwam op 2 december 1945, omstreeks 15.00 uur, in Kasteel Hoensbroek te overlijden. Hij zou een natuurlijke dood zijn gestorven.
Johan werd op kosten van het Directoraat Generaal Bijzondere Rechtspleging begraven op de toenmalige Rooms-Katholieke begraafplaats Sint Jan Evangelist te Hoensbroek.
Johan A. bereikte de leeftijd van 67 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Kerkrade
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Kerkrade
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Internet genealogische sites
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Heinrich Alfs

Heinrich Alfs kwam op 14 juli 1925 in Gladbeck, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, op de wereld. Zijn ouders waren er eveneens geboren: Karl Heinrich Alfs, op 13 april 1881 en Elisabeth Bieker, op 28 oktober 1884. Zij waren er ook getrouwd en wel op 10 februari 1903.
Behalve Heinrich kregen zij nog zes andere kinderen. Karl Alfs, de vader, was mijnwerker van beroep. Hij overleed op 2 juli 1928 in Gladbeck. Zijn vrouw woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog op de Straβe der S.A. 184. Tegenwoordig is dit de Konrad-Adenauer-Allee.
De leden van het gezin bezaten de Duitse nationaliteit.
Heinrich Alfs, de zoon, was ongehuwd en woonde bij zijn moeder op de Straβe der S.A. 184 in Gladbeck. Heinrich kwam op 16 april 1943, op 17-jarige leeftijd, terecht bij de Reichsarbeitsdienst (RAD). In Nazi-Duitsland was deze organisatie in 1934 in het leven geroepen. In eerste instantie was het bedoeld om de grote werkloosheid terug te dringen, maar gaandeweg kwam de nadruk steeds meer op het militaire aspect te liggen. Heinrich diende vanaf 12 juli 1944 in het Duitse leger, waar hij zijn militaire basisopleiding kreeg in het Ausbildungs- und Ersatz-Bataillon 365, dat gelegerd was in Bonn, Noordrijn-Westfalen.
In augustus 1943 was het bataljon van Bonn naar Nijmegen in Nederland verplaatst. In het kader van de Walküre-Aufruf werd het bataljon in september 1944 verdeeld over de bestaande fronteenheden. De Walküre-Aufruf was een codewoord dat stond voor de mobilisering van het reserveleger in geval van een intern conflict: in dit geval de aanslag op Hitler op 20 juli 1944. Heinrich Alfs kwam hierdoor op 16 september 1944 als Schütze terecht bij de 5. Kompanie, II. Bataillon, Grenadier-Regiment 984, 275. Infanterie Division. De divisie had gevochten in het Franse Normandië, waar de geallieerde legers op 6 juni 1944, op D-Day, aan land waren gegaan. In de daarop volgende maanden werd de divisie via Noord-Frankrijk, België en Zuid-Limburg teruggedreven in de richting van Duitsland. In deze periode leed de divisie ernstige verliezen, die niet helemaal aangevuld werden met nieuwe troepen.
Placeholder image
Schets, met daarop de situatie van de Jeugrubbe en het huis onderaan de rand van het bos, waar Henrich Alfs de dood vond. Bron: Hans Heltzel.
Op 18 september 1944 werd Hoensbroek bevrijd door het Amerikaanse leger. Hoensbroek lag in de frontsector, die door de Duitse 275. Infanterie Division werd verdedigd. Op die dag bevonden Heinrich Alfs en een aantal kameraden zich in de beboste hellingen van de Jeugrubbe, ook bekend onder de naam: Het Verboden Bos. Toen de eerste Amerikaanse eenheden voorbij Nuth kwamen hadden de Duitsers nog geschoten, maar daarna vluchtte iedereen richting Duitsland, met uitzondering van Heinrich. Deze zocht bescherming in een schuilkelder bij het huis onderaan de rand van het bos, met uitzicht op de wei voor boerderij Naanhof. Deze schuilkelder was gegraven door de vader van het gezin, dat daar woonde. Vanwege het verwachte geweld bij de bevrijding was hij met zijn gezin naar een veiliger plek vertrokken. Hun schoonzoon, die in het huis verbleef en toezicht hield, kwam in gesprek met Heinrich. Hieruit bleek dat de soldaat angst was ingejaagd door de propaganda over negers in het Amerikaanse leger, maar hij wilde ook een eind maken aan de strijd. Hij vertelde dat hij zich zou overgeven zodra de eerste aanvalsgolf voorbij getrokken was. Ook was er alcohol in het spel, aldus de schoonzoon.
Nadat de eerste Amerikanen bij het Kathagerbos de Geleenbeek waren overgestoken verliep de opmars van de hoofdmacht via Vaesrade en Hommert in de richting van Amstenrade. Kleinere eenheden trokken vanuit het noorden op naar Hoensbroek. Een handvol tanks arriveerde in de wijk Steenberg, waar burgers in feeststemming de bevrijders verwelkomden. Van deze burgers hoorden de bemanningen van de tanks, dat er nog Duitse soldaten in de Jeugrubbe zaten. Nadat de tanks ter plaatse waren aangekomen, schoten zij met hun zware mitrailleurs in het bos.
Vervolgens stapten twee Amerikanen uit hun tank om zich naar het huis onderaan de helling van de Jeugrubbe te begeven. Bij de schuilkelder riepen zij dat de inzittenden naar naar buiten moesten komen. Heinrich Alfs, de enige die zich in de schuilkelder bevond, kwam echter niet naar buiten en de Amerikanen durfden niet naar binnen te gaan. De Amerikanen wierpen uiteindelijk een handgranaat in de schuilkelder. Bij de daarop volgende explosie kwam Heinrich om het leven. Het was toen ongeveer 17.00 uur, op 18 september 1944. Zijn dood werd twee dagen later gemeld bij de gemeente Hoensbroek door Antoon Peeters, de commandant van de Luchtbeschermingsdienst.
Placeholder image
Brief van de burgemeester van Hoensbroek, waarin hij de familie van Heinrich Alfs in kennis stelt van diens dood en begrafenis. Bron: Gemeentearchief Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen.
Placeholder image
Deze foto is op 20 september 1944 genomen tijdens de begrafenis van Heinrich Alfs, op de toenmalige Rooms-Katholieke begraafplaats Sint-Jan Evangelist in Hoensbroek. Bron: Gemeentearchief Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen.


Op 20 september 1944 om 08.30 uur vond in de parochiekerk Sint Jan Evangelist in Hoensbroek, onder leiding van pastoor G. Lenders, de plechtige uitvaartdienst plaats voor Heinrich Alfs en een andere Duitse soldaat, te weten Hermann Josef Sahlmann (zie zijn verhaal). Heinrich werd begraven op de toenmalige Rooms-Katholieke begraafplaats Sint Jan Evangelist in Hoensbroek. Bij de teraardebestelling waren een aantal kameraden van hem aanwezig, die door de Amerikanen krijgsgevangen waren gemaakt. Van deze begrafenis zijn foto’s gemaakt. Het graf van Heinrich bevond zich ruim 12 jaar meteen rechts van de ingang van de begraafplaats.
De burgemeester van Hoensbroek schreef op 25 september 1944 een brief naar de familie van Heinrich Alfs, waarin zij geïnformeerd werd over diens dood en zijn teraardebestelling. Met de brief werd ook een van de foto’s van de begrafenis meegezonden. In de brief is te lezen, dat men bij de eerste de beste gelegenheid het soldijboekje zou opsturen, alsmede andere persoonlijke eigendommen van Heinrich. In de loop van 1946 was er weer postverkeer met Duitsland mogelijk en kwamen de persoonlijke eigendommen, via bemiddeling van het Nederlandse Rode Kruis, bij de familie Alfs aan.
Placeholder image
Graf van Heinrich Alfs op het Duitse oorlogskerkhof in Ysselsteyn bij Venray. Bron: Jan van den Berg
Het stoffelijk overschot van Heinrich Alfs werd op 15 februari 1957 opgegraven en overgebracht naar het Duitse oorlogskerkhof in Ysselsteyn bij Venray. Hier heeft het zijn definitieve rustplaats gevonden in vak CG, rij 12, graf 296. In het ‘Rapport van overbrenging’ staat, dat men op het lichaam van Heinrich een herkenningsplaatje had aangetroffen. De onderste helft hiervan had men opgestuurd naar het Informatie Bureau van het Nederlandse Rode Kruis in Den Haag. Heinrich Alfs bereikte de leeftijd van 19 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Stadtarchiv Gladbeck
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
  • Internet genealogische sites
originele versie d.d. oktober 2018


terug naar boven





Dieuwke Algera-Tigchelaar

Dieuwke Tigchelaar kwam op 11 januari 1879 in Midlum op de wereld. Haar ouders waren: Douwe Jelles Tigchelaar, geboren op 9 oktober 1834 in Franekeradeel en Grietje Pieters Hibma, geboren op 5 december 1838 in Franeker. Zij waren op 23 mei 1863 in Franekeradeel gehuwd.
Placeholder image
Dieuwke Algera-Tigchelaar. Bron Tjerk Tigchelaar.
Behalve Dieuwke kreeg het echtpaar nog vijf andere kinderen. Douwe Jelles Tigchelaar, de vader, was arbeider van beroep. De leden van het gezin bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Dieuwke Tigchelaar, de dochter, huwde op 2 juni 1900 in Franekeradeel met Lieuwe Algera, geboren op 10 juni 1874 in Arum. Het echtpaar kreeg vier kinderen. In het begin van de 20e eeuw verhuisde het gezin naar Zuid-Limburg vanwege het werk dat er te vinden was in de steenkolenmijnen. Het gezin liet zich op 24 december 1913 in het bevolkingsregister van Brunssum inschrijven. Na drie en een half jaar daar te hebben gewoond, verhuisde het gezin op 11 mei 1917 naar Heerlen. In deze plaats verbleef men nog geen vijf maanden, want op 2 oktober 1917 vertrokken zij naar Hoensbroek. Het gezin woonde op diverse adressen in Hoensbroek, onder meer in de kolonie aan het station en het laatst op Emmastraat 76. Lieuwe Algera, de vader, was mijnwerker van beroep en werkte als houwer in een van de steenkolenmijnen.
Placeholder image
Bericht in Veritas d.d. 26 september 1944, waarin het overlijden van Dieuwke Algera-Tigchelaar bekend wordt gemaakt. Bron: Internet, delpher.nl
In 1940, kort na het begin van de Duitse bezetting van Nederland, werd Dieuwke Algera-Tigchelaar weduwe. Vier jaar later, op 18 september 1944, werd Hoensbroek door het Amerikaanse leger bevrijd. Een van de aanvalsgroepen trok vanuit Nuth via Kathagen en Vaesrade verder naar het oosten op, richting Duitse grens. Omstreeks 16.00 uur arriveerden de eerste Amerikaanse tanks in het buurtschap Hommert. De bewoners kwamen naar buiten om de bevrijders te begroeten en hun hernieuwde vrijheid te vieren. Dit was niet ongevaarlijk, want er werd nog altijd over en weer geschoten.
Aan de achterkant van hun huis hing de familie Algera uit de ramen om te kijken over de weilanden, die lagen tussen de Emmastraat en het centrum van Hoensbroek. Maar toen sloeg het noodlot toe. Dieuwke Algera-Tigchelaar werd getroffen door een verdwaalde kogel. Zij was op slag dood. De plechtige uitvaartdienst vond op 22 september 1944 plaats en in het begin van de middag werd zij op de Protestantse Begraafplaats in Treebeek begraven. Dieuwke Algera-Tigchelaar bereikte de leeftijd van 65 jaar.

Bronnen:
  • Burgelijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Burgelijke Stand Gemeente Franekeradeel
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Brunssum
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Veritas d.d. 26 september 1944, 6 november 1944
  • Tjerk Tigchelaar
  • Internet genealogische sites
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Leonard Ambrosius

Leonard Ambrosius werd op 30 augustus 1899 in Nijmegen geboren. Zijn ouders waren: Willem Ambrosius, geboren op 12 december 1870 in Nijmegen en Helena Sas, geboren op 11 september 1869 in Dreumel. Het stel was op 10 juni 1892 in Nijmegen getrouwd en kreeg zeven kinderen. Willem Ambrosius, de vader, was timmerman van beroep. Op 16 oktober 1902, ongeveer twee maanden vóór de geboorte van het jongste kind, kwam hij in Nijmegen te overlijden. De leden van het gezin hadden de Nederlandse nationaliteit.
Leonard Ambrosius, de zoon, woonde op verschillende plaatsen in Nederland en oefende tal van beroepen uit. In de periode dat hij in zijn geboorteplaats werkte was hij slager van beroep en woonde hij op Feithstraat 10. Op 7 oktober 1925 liet hij zich, komend van Nijmegen, inschrijven in het bevolkingsregister van Hoensbroek. Hier was hij mijnwerker van beroep en verbleef hij op Akerstraat 148. Hij woonde niet lang in deze woonplaats, want vijf maanden later, op 13 maart 1926, verhuisde hij naar Venlo. Leonard Ambrosius is later nog meerdere keren verhuisd, onder andere naar Maastricht.
Komende van Maastricht woonde hij van 22 maart 1930 tot 21 april 1931 in Amsterdam. In Amsterdam verkocht hij feestartikelen en woonde hij op Heerenstraat 16. Na zijn verblijf in Amsterdam vertrok hij naar Eindhoven om te gaan wonen op Laagstraat 37. Op het laatst woonde hij in Hilversum op Rigelstraat 122, was hij fotograaf van beroep en was hij inmiddels getrouwd met een zekere Hendrika Johanna van den Berg.
Placeholder image
Een deel van het rapport van de gemeentepolitie van Amsterdam, waarin staat dat Leonard Ambrosius door een rechercheur ter bewaring werd overgebracht van het Bureau Economische Zaken naar een van de politiebureaus in Amsterdam. Bron: Internet, amsterdam.nl/stadsarchief
Op 26 juli 1943 werd Leonard Ambrosius door een rechercheur ter bewaring, van het Bureau E.Z. (Economische Zaken) - dat ondermeer belast was met de bestrijding van zwarthandel - overgebracht naar een politiebureau in Amsterdam, waar hij om 15.00 uur aankwam. In een erop volgende rechtszaak werd hij veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenschap in een Zuchthaus. Waarvan hij beschuldigd werd kon niet meer worden achterhaald.
Na zijn veroordeling kwam hij eerst terecht in Kamp Amersfoort, een Polizeiliches Durchgangslager bij Amersfoort. Tijdens zijn verblijf in dit kamp werkte hij als hulp in de keuken. Op 22 april 1944 kwam hij terecht in het Zuchthaus in Rheinbach, dat gelegen was in de Kreis Siegburg, in de Duitse deelstaat
Placeholder image
Overlijdensakte van Leonard Ambrosius, welke pas op 24 september 1945 in Kassel werd opgemaakt.
Bron: Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag.
Noordrijn-Westfalen. Op 14 juli 1944 werd hij overgeplaatst naar het Zuchthaus Kassel-Wehlheiden, in de Duitse deelstaat Hessen. Een Zuchthaus was een gevangenis waarin de gedetineerden niet alleen werden opgesloten. Zij moesten ook onder dwang fysieke arbeid verrichten. Het doel was om hen door middel van heropvoeding gereed te maken voor het functioneren in de Nationaalsocialistische samenleving. Een deel van het Zuchthaus Kassel-Wehlheiden werd tevens gebruikt door de Gestapo. De gevangenen moesten in de landbouw en wapenindustrie werken. Na diverse zware luchtaanvallen van de Geallieerden op Kassel, in de jaren 1943 en 1944, werden de gevangenen ingezet bij opruimingswerkzaamheden en het ontscherpen van blindgangers.
Tussen 1939 en 1945 zouden 417 gevangenen van Zuchthaus Kassel-Wehlheiden de dood vinden door mishandelingen, uitputting en ziekten. Leonard Ambrosius, die kennelijk veel last had van heimwee, was een van hen. Hij overleed op 23 februari 1945, omstreeks 11.00 uur, in het Zuchthaus in Kassel-Wehlheiden aan de gevolgen van waterzucht, een abnormale toename van vloeistof in het lichaam. Een andere bron geeft uitputting-zwak hart aan als doodsoorzaak. Hij werd begraven op het Ereveld Frankfurt am Main, in de Duitse deelstaat Hessen. Zijn graf bevindt zich in vak D, rij 5, nummer 12.
Leonard Ambrosius bereikte de leeftijd van 45 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Amsterdam
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Archief Gemeente Politie Amsterdam
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel, Duitsland
  • Internet site oorlogsdodennijmegen.nl
  • Internet genealogische sites
terug naar boven


Hendrikus B.

Hendrikus B. kwam in 1923 in Weert op de wereld. Het gezin B. bestond uit vader, moeder en acht kinderen. De vader van Hendrikus verdiende zijn brood als ponser op een vliegwerktuigenfabriek. Hij had de bijnaam: De Bökkem. Hij woonde met zijn gezin in Weert in de straat met de naam Leuken. De leden van het
Placeholder image
Krantenartikel waarin het incident met Hendrikus B. wordt beschreven.
Bron: Limburgs Dagblad 12 april 1946.
gezin bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Hendrikus B. was ongehuwd, woonde bij zijn ouders in Weert, was textielarbeider van beroep en werkte als knipper in een tricotfabriek. In de oorlogsjaren was hij lid van de N.S.B.
Na de bevrijding werd Hendrikus als politiek delinquent opgesloten in Kasteel Hoensbroek, waarvan de bijgebouwen gebruikt werden als gevangenis.
Op 8 april 1946, omstreeks 09.00 uur, kwam Hendrikus B. in Kasteel Hoensbroek, te overlijden. Volgens een latere verklaring zou hij voor of in een raam hebben gestaan. Hij werd door de bewaking van het kasteel gewaarschuwd om daar vandaan te gaan, maar gaf hieraan geen gevolg. Daarop werd van buiten door een bewaker op hem geschoten. Korte tijd nadat hij was getroffen, verloor hij zijn leven. Hij werd op kosten van de familie begraven in Weert.

Hendrikus B. bereikte de leeftijd van 22 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Weert
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Stichting Historisch Onderzoek Weert (SHOWeert) te Weert
  • Limburgs Dagblad d.d. 12 april 1946
  • Internet genealogische sites
terug naar boven Originele versie d.d. oktober 2018


Hubertus B.

Hubertus B. werd in 1921 in Hoensbroek geboren. Het gezin B. bestond uit: vader, moeder en twaalf kinderen.
Het gezin heeft in Hoensbroek altijd gewoond in de Akerstraat. De vader van Hubertus was slager van beroep en had in Hoensbroek een eigen slagersbedrijf. Het gezin heeft in Hoensbroek altijd gewoond in de Akerstraat.
Op 5 september 1932 verhuisde het gezin naar Wijlre, de geboorteplaats van de moeder, om in de Dorpstraat te gaan wonen. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Hubertus B. was ongehuwd. In de Tweede Wereldoorlog woonde hij in Weert in de straat met de naam Hushoven. Hij werkte als loopjongen in een galanteriewinkel. Hij was een van de Nederlanders die zich als vrijwilliger aanmeldden voor dienst in de Waffen-SS. Zijn militaire basisopleiding kreeg hij in de SS-Freiwilligen-Standarte ‘Nordwest’. Het was een eenheid van de Waffen-SS die na een besluit uit april 1941 was opgericht en die voornamelijk bestond uit Vlaamse en Nederlandse vrijwilligers.
Placeholder image
Schets, met daarop de situatie aan het Volchov Front, in de omgeving van Selo-Gora. Bron: Jan van den Berg.
In september 1941 besloot men de SS-Freiwilligen-Standarte ‘Nordwest’ op te heffen en haar troepen en materieel op te nemen in de SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’. Deze eenheid werd in januari 1942 verplaatst naar het oostfront, naar het dorpje Selo-Gora in Rusland, waar het in de eerste dagen van februari 1942 aankwam.
Selo-Gora, op zo’n 125 kilometer ten zuiden van Leningrad, lag in de frontsector van de rivier de Volchov. Deze stroom vormde de scheidslijn tussen het Duitse leger op de westoever en het Rode Leger aan de overzijde. In dit deel van het front was het Rode Leger in januari 1942 met een offensief begonnen en omdat de Volchov was dichtgevroren vormde de rivier geen hindernis van betekenis en konden de Russen een bruggenhoofd op de westoever vormen. Het SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’ was naar deze sector van het front gestuurd om het offensief van het Rode Leger een halt toe te roepen. Het hoofdkwartier van het legioen was in Selo-Gora gevestigd en haar eenheden hadden defensieve stellingen ingenomen in nabije nederzettingen, zoals Gorenka, Radoni, Gusi en Pjatilipy. Hubertus B. diende als Schütze in de 6. Kompanie van het II. Bataillon en was in Selo-Gora gestationeerd.
Placeholder image
Landkaart van Europa. De rode stip is globaal de locatie in Rusland, waar Hubertus B. gesneuveld is. Bron: Jan van den Berg.
Op 13 februari 1942, bij een hernieuwde aanval van het Rode Leger, viel het legioen uiteen. Onder zware verliezen trokken de Nederlanders zich terug over de weg van Gusi in het noorden naar Radoni in het zuiden. Op 18 februari 1942, omstreeks 07.00 uur, trad de 6. Kompanie in Selo-Gora aan om de weg tussen Radoni en Gusi vrij te maken van Russische troepen. De eenheid trok op naar Radoni en vandaar verder naar Gusi. Het wist zich een weg te banen tot ongeveer 2 kilometer ten zuiden van Gusi, waar het op een zware boomstamversperring stootte. Daar werd zij vanuit het bos zowel van rechts als links onder vuur genomen. Ondanks artillerieondersteuning kon de 6. Kompanie Gusi niet bereiken en moest men zich terugtrekken in de richting van Radoni.
Bij deze actie, op 18 februari 1942, sneuvelde Hubertus B. op de weg van Radoni naar Gusi. Hij werd ter aarde besteld op het Ehrenfriedhof in Selo-Gora, de begraafplaats van het legioen. Na de oorlog werd deze begraafplaats door de Russen verwoest. De Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge is nog niet in staat geweest om het stoffelijk overschot van Hubertus over te brengen naar het Duitse oorlogskerkhof in Novgorod.

Hubertus B. bereikte de leeftijd van 21 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
  • Boek Nederlandse vrijwilligers in Europese krijgsdienst 1940-1945 van J. Vincx en V. Schotanius
  • Internet genealogische sites
  • terug naar boven
Originele versie d.d. oktober 2018


Jacobus B.

Jacobus B. kwam in 1925 in Hoensbroek op de wereld. Het gezin B. bestond uit: vader, moeder en Jacobus was hun enigst kind. De vader van Jacobus was geboren in Duitsland. In 1929 gingen de ouders scheiden. Kort daarop trouwde de vader van Jacobus opnieuw en uit dit huwelijk kwamen acht kinderen voort. Na de scheiding ging de moeder met Jacobus naar Voerendaal. In 1930 trouwde zij in die gemeente opnieuw. Uit haar tweede huwelijk werden nog eens twee kinderen geboren. In 1931 verhuisde zij met haar gezin naar Sittard. In 1937, toen Jacobus elf jaar was, werd hij uitgeschreven in het bevolkingsregister van Sittard. Hij ging toen naar een klooster in Heythuysen, waar een kostschool aan verbonden was. In het bevolkingsregister van Sittard werd deze opmerking genoteerd: heeft zich niet te Heythuyzen gevestigd. In 1939 verhuisde de moeder met haar gezin naar Munstergeleen, waar men gedurende de Tweede Wereldoorlog bleef wonen. Jacobus en zijn biologische ouders bezaten de Nederlandse nationaliteit, maar zijn stiefvader, stiefbroer en stiefzus hadden de Poolse nationaliteit.
Placeholder image
Schets, met daarop de situatie aan het Volchov Front, in de omgeving van Selo-Gora. Bron: Jan van den Berg
Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog was Jacobus B. een van de Nederlanders die zich aanmeldden bij de Waffen-SS om te vechten tegen het Bolsjewisme. Hij kreeg zijn militaire basisopleiding in de SS-Freiwilligen-Ersatz-Bataillon, dat gelegerd was in het Oostenrijkse Graz. Dit heeft zich afgespeeld in de eerste helft van december 1941. Na zijn opleiding kwam hij terecht in de SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’. Deze eenheid werd vanaf januari 1942 verplaatst naar het oostfront, naar het dorpje Selo-Gora in Rusland, waar het in de eerste dagen van februari 1942 aankwam.

Selo-Gora, op zo’n 125 kilometer ten zuiden van Leningrad, lag in de frontsector van de rivier de Volchov. Deze stroom vormde de scheidslijn tussen het Duitse leger op de westoever en het Rode Leger aan de overzijde. In dit deel van het front was het Rode Leger in januari 1942 met een offensief begonnen en omdat de Volchov was dichtgevroren vormde de rivier geen hindernis van betekenis en konden de Russen een bruggenhoofd op de westoever vormen. De SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’ was naar deze sector van het front gestuurd om het offensief van het Rode Leger een halt toe te roepen.
Placeholder image
Landkaart van Europa. De rode stip is globaal de locatie in Rusland, waar Jacobus B. gesneuveld is. Bron: Jan van den Berg.
Het hoofdkwartier van het legioen was in Selo-Gora gevestigd en haar eenheden hadden defensieve stellingen ingenomen in nabije nederzettingen, zoals Gorenka, Radoni, Gusi en Pjatilipy.
Op 13 februari 1942, bij een hernieuwde aanval van het Rode Leger, viel het legioen uiteen. Onder zware verliezen trokken de Nederlanders zich terug over de weg van Gusi in het noorden naar Radoni in het zuiden. Het legioen wist tenslotte Radoni te bereiken waar nieuwe verdedigingsstellingen werden ingenomen. Op 3 maart 1942 sneuvelde Jacobus B. op een plaats, 3 kilometer ten noordoosten van Radoni. Hij was Pionier bij de Stabskompanie, SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’. Hij werd ter aarde besteld op Ehrenfriedhof in Selo-Gora, de begraafplaats van het legioen. Na de oorlog werd deze begraafplaats door de Russen verwoest. De Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge is nog niet in staat geweest om de stoffelijke resten van Jacobus over te brengen naar het Duitse oorlogskerkhof in Novgorod.

Jacobus B. bereikte de leeftijd van 16 jaar.


Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Sittard
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
terug naar boven Originele versie d.d. oktober 2018


Johannes B.

Johannes B. zag in 1922 in Hoensbroek het levenslicht. Het gezin B. bestond uit: vader, moeder en vier kinderen, waaronder Johannes, Lammert (zie zijn verhaal) en Pieter (zie zijn verhaal). In 1933 gingen de ouders scheiden. De drie zonen werden toegewezen aan de vader. Deze trouwde in 1933 in Hoensbroek opnieuw. Uit dit tweede huwelijk werd nog een kind geboren. De vader verdiende zijn inkomen als handelaar in melk, boter, kaas en eieren. Hij was een zelfstandig ondernemer. Het gezin woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in Hoensbroek in de Hermesweg. De drie zonen bleven contact houden met hun biologische moeder, die lid was van de NSB. Volgens een verklaring van haar ex-echtgenoot hadden de drie zonen, te weten Johannes, Lammert en Pieter, zich door haar toedoen bij de Waffen-SS aangemeld. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Johannes B., de oudste zoon, werkte als landbouwknecht. In 1939 verhuisde hij naar Voerendaal, om te gaan wonen in de Steinweg. In de Tweede Wereldoorlog besloot hij in de Duitse Waffen-SS te gaan. Er kon niet achterhaald worden wanneer dit gebeurde en in welk onderdeel hij terecht kwam. Wel is bekend dat hij vocht aan het oostfront. Rond december 1942 kwam hij met ziekenverlof naar huis vanwege een in september van dat jaar opgelopen zware verwonding. Toen hij genezen was ging hij weer terug naar het oostfront. Volgens een verklaring van zijn vader kwam Johannes later weer naar Nederland terug en verrichtte toen werk voor het verzet.
Johannes B. werd na de Duitse capitulatie op 16 mei 1945 in Arnhem gearresteerd door leden van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, toen hij op weg was naar huis. Hij werd als politiek delinquent overgebracht naar de bijgebouwen van Kasteel Hoensbroek die dienden als gevangenis. Hieruit wist hij te ontsnappen op 18 december 1945.

In maart 1946 ontving zijn vader vanuit Frankrijk een schrijven van Johannes B. In de brief stond dat zijn zoon na enige omzwervingen een wervingsagent van het Franse Vreemdelingenlegioen had ontmoet. Deze had hem overgehaald om dienst te nemen bij het legioen. Door deze actie verloor Johannes B. het Nederlanderschap. Hij werd in het Franse Vreemdelingenlegioen ingedeeld bij het 6ème Cie, 2ème Bataillon, 3ème Régiment Étranger d'Infanterie. Hij klom op tot de rang van korporaal.
Placeholder image
Landkaart van Zuid-Oost Azië. De rode stip is globaal de locatie in Vietnam, waar Johannes B. gesneuveld is. Bron: Jan van den Berg.
Het 3ème Régiment Étranger d'Infanterie was van 1946 tot 1955 actief in Indochina, de geografische term voor dat deel van Azië dat bestaat uit het huidige Vietnam, Laos en Cambodja. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was deze Franse kolonie in de handen gevallen van Japan. Na het einde van de oorlog wilden de Fransen weer de controle hebben over dit gebied. Maar zij werden geconfronteerd met rebellen, de zogenoemde Viet Minh, die naar onafhankelijkheid streefden. Het regiment van Johannes B. was een van de Franse eenheden die naar Indochina waren gezonden om de orde te herstellen.
Johannes B. sneuvelde op 19 mei 1947 tijdens een gevecht in de buurt van het dorp Phu-Le, in de provincie Ben-Tre, Cochinchina, in het zuiden van Vietnam. Zijn laatste rustplaats, vak 2, nummer 57, is te vinden op de begraafplaats van Ben-Tre, de hoofdstad van de gelijknamige provincie.
Enkele dagen voor zijn dood schreef Johannes B. naar zijn vader in Nederland. Dit is het laatste wat de vader van hem te horen kreeg. Op zeker moment schreef de vader naar het Franse Consulaat in Rottterdam, voor informatie omtrent zijn zoon, waar hij niets meer van vernam. Maar hij ontving toen geen enkele reactie. Op 18 november 1947 wendde hij zich daarom tot het Nederlandse Rode Kruis in Den Haag. Dankzij bemiddeling van deze instantie werden de ouders in december 1948 door het Franse Consulaat op de hoogte gesteld omtrent het lot van hun zoon.
In Fréjus in Zuid-Frankrijk is het monument Le Memorial des Guerres en Indochine. Op een van de marmeren zuilen staat de naam van Johannes B.

Johannes B. bereikte de leeftijd van 24 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Le Memorial des guerres en Indochine te Fréjus
  • René Lescure te Ambilly
  • Internet site kwaak99.demon.nl
  • Internet genealogische sites
terug naar boven Originele versie d.d. oktober 2018


Lammert B.

Lammert B. kwam in 1923 in Hoensbroek op de wereld. Het gezin B. bestond uit: vader, moeder en vier kinderen, onder wie Lammert. Johannes (zie zijn verhaal) en Pieter (zie zijn verhaal). In 1933 gingen de ouders scheiden. De drie zonen werden toegewezen aan de vader. Deze trouwde in 1933 in Hoensbroek opnieuw. Uit dit tweede huwelijk werd nog een kind geboren. De vader verdiende zijn inkomen als handelaar in melk, boter, kaas en eieren. Hij was een zelfstandig ondernemer. Het gezin woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in Hoensbroek in de Hermesweg. De drie zonen bleven contact houden met hun biologische moeder, die lid was van de NSB. Volgens een verklaring van haar ex-echtgenoot hadden de drie zonen, te weten Lammert, Johannes en Pieter, zich door haar toedoen bij de Waffen-SS aangemeld. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Lammert B. verhuisde in 1939 naar Brunssum, om in die gemeente te gaan wonen op de Maastrichterstraat. Op zeker moment meldde hij zich aan voor dienst in de Duitse Waffen-SS. Zijn militaire basisopleiding ontving Lammert bij het SS-Ersatz-Bataillon ‘Westland’ in München. De eenheid was ondermeer bestemd voor het aanvullen van verliezen van de Standarte ‘Westland’, een van de drie regimenten die behoorden tot de SS-Division ‘Wiking’. Echter, op een of andere manier, kwam Lammert terecht bij de Aufklärungs Kompanie van het 2. SS-Panzer-Grenadier-Regiment, 1. SS-Panzer-Grenadier-Division ‘Leibstandarte Adolf Hitler’. Hij wist op te klimmen tot de rang van SS-Rottenführer.
Placeholder image
Holmengrab van Lammert B. in de omgeving van Kreuzfeld, kort na het einde van de oorlog. Het schijnt dat de helm later gestolen werd. Bron: Onbekend
Op 20 april 1943 werd Lammert B. het ‘Panzerkampfabzeichen in Bronze’ verleend, na de strijd om Charkov in het zuiden van Oekraïne. Wat genoemd wordt de ‘Derde slag om Charkov’ vond plaats tussen 16 februari en 15 maart 1943. Het kan zijn, dat hij die onderscheiding kreeg voor acties in de strijd om deze stad. Hierna werd Lammert overgeplaatst naar de 23. SS-Panzer-Grenadier-Division ‘Nederland’. Het tijdstip waarop dit gebeurde kon niet meer achterhaald worden. De divisie was tegen het einde van de oorlog in twee delen gesplitst, die ten noorden en zuiden van Berlijn strijd leverden tegen het Rode Leger. Na afloop van de laatste gevechten probeerden de restanten van deze divisie de rivier de Elbe te bereiken en contact te maken met de Amerikanen.
In de laatste weken van de oorlog zat Lammert B. bij een groep soldaten, die afkomstig waren van diverse eenheden van het Duitse leger. Deze groep bevond zich ver ten noorden van de laatste posities van de 23. SS-Panzer-Grenadier-Division ‘Nederland’. De indruk is, dat Lammert in de laatste chaotische weken van de oorlog niet meer optrok met ‘zijn’ divisie. De groep kwam op of rond 1 mei 1945 aan bij het dorp Kreuzfeld, toen ook al deel uitmakend van de gemeente Malente, in de Duitse deelstaat Sleeswijk-Holstein. Omdat het dorp reeds door vluchtelingen en andere soldaten overbezet was, besloot men een bivak op te richten in een klein bos (Holm), op ongeveer 1 kilometer ten noorden van Kreuzfeld.
Placeholder image
Het boek ‘Schokolade und Stiefmütterchen’ van Regina Schnorrenberg, dat in 2010 werd uitgegeven. De roman gaat over een jonge Nederlandse soldaat die werkelijk heeft bestaan, die op weg was naar huis, naar zijn familie. Bron: Internet.
Lammert B. stierf op 3 mei 1945. Over zijn doodsoorzaak doen een drietal verhalen de ronde. Zo zou hij gesneuveld zijn bij een Britse luchtaanval.
Het andere verhaal, wat men vaker tegenkomt, is dat hij met zijn kameraden op 2 mei 1945, op de weg terug van het dorp naar hun bivak, aan de kant van de weg een Panzerfaust vond. Omdat het wapen een gevaar vormde, vooral voor de kinderen die in de streek rondliepen, besloot Lammert het in een van de velden af te vuren. Echter, de buis brak open tijdens het afvuren van het wapen, waardoor de terugstoot niet alleen naar achteren, maar alle kanten op ging. Daardoor raakte hij gewond. Omdat Lammert geen zichtbare verwondingen had, werd hij door zijn kameraden teruggebracht naar het bivak in het Holm. Doordat de pijn steeds erger werd, bracht men hem een dag later naar Kreuzfeld. Omdat de arts van het dorp niet aanwezig was gingen de kameraden met Lammert naar iemand van het Rode Kruis die in het dorp woonde. Tijdens het onderzoek raakte Lammert bewusteloos en korte tijd later overleed hij. De man van het Rode Kruis meende dat de rechterlong bij de explosie was dichtgeklapt en dat was waarschijnlijk de doodsoorzaak. De kameraden namen het lichaam weer terug naar het Holm en begroeven hem daar.
Er bestaat nog een andere versie van dit tweede verhaal. Dorpelingen hoorden een knal en geschreeuw. Drie dorpelingen gingen op onderzoek uit en vonden toen de aan zijn borstkas gewonde Lammert B. De mannen namen hem mee naar Kreuzfeld, waar hij korte tijd later is overleden.
Lammert B. werd drie dagen later door mensen uit het dorp in het Holm begraven. Zijn graf bevindt zich daar nog steeds en het wordt in de volksmond ook wel het Holmengrab genoemd. Het graf wordt tot op de dag van vandaag door bewoners van Kreuzfeld onderhouden. Ieder jaar wordt er door de gemeente bij het graf een krans gelegd op de dag dat wordt stilgestaan bij alle gevallenen: Volkstrauertag.
In het jaar 2010 verscheen er een boek met de titel: Schokolade und Stiefmütterchen. Het boek werd geschreven door Regina Schnorrenberg. Zij was geïntrigeerd over het Holmengrab, dat zij toevallig tegenkwam tijdens een van haar wandelingen. Het is een roman over een liefde in de oorlog tussen een zekere Anna, een inwoonster van Kreuzfeld, en Lammert, een Nederlandse soldaat. Het is weliswaar een verzonnen verhaal, maar de naam van de soldaat en het bestaan van het Holmengrab berusten op werkelijkheid.

Lammert B. bereikte de leeftijd van 21 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Boek Schokolade und Stiefmütterchen van Regina Schnorrenberg
  • Internet genealogische sites
terug naar boven Originele versie d.d. oktober 2018


Leo B.

Leo B. kwam in december 1925 in Hoensbroek op de wereld. Het gezin B. bestond uit: vader, moeder en vijf kinderen. De moeder van Leo was in Duitsland geboren. Zijn vader was bakker van beroep. Hij had vanaf 1921 in de Nieuwstraat een eigen bakkerij. In 1931 opende hij op dat adres ook een lunchroom. Het gezin woonde boven de zaak. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Leo B. was ongehuwd en woonde bij zijn ouders in de Nieuwstraat in Hoensbroek. Hij was leerling bakker van beroep. Tijdens de Tweede Wereldoorlog behoorde Leo tot de Nederlanders die zich aanmeldden in het Duitse leger. Uiteindelijk kwam hij als SS-Sturmmann terecht bij de SS-Wirtschafts-Kompanie 54, een logistiek onderdeel van de 4. SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Brigade ‘Nederland’.
Placeholder image
Landkaart van Europa. De rode stip is globaal de locatie in Letland, waar Leo B. gesneuveld is.
Bron: Jan van den Berg.
Eind september 1944 bevond de brigade zich in Kurland, een gebied dat de zuidelijke helft van Letland beslaat. Daar had het defensieve stellingen ingenomen op ongeveer 40 kilometer ten zuidoosten van de havenstad Libau (Liepāja) in Letland. Vanaf oktober 1944 tot eind januari 1945 wist men daar de opmars van het Rode Leger te stoppen. Eind januari en begin februari 1945 verscheepte de brigade zich via de haven van Libau naar Swinemünde in Pommeren, het tegenwoordige Świnoujście in Polen.
Op 27 januari 1945 sneuvelde Leo B. in de buurt van Fischröden (Izriede) in Kurland. Dat was kort voor de inscheping van de brigade in Libau voor de overtocht naar Swinemünde. Fischröden ligt zo’n 20 kilometer ten oosten van Libau. Leo en veel van zijn kameraden werden begraven in Fischröden. Zijn stoffelijk overschot heeft daar bijna een halve eeuw gelegen. De Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge is sinds 1999 begonnen met het overbrengen van de stoffelijke resten van Duitse soldaten naar het Duitse oorlogskerkhof in Saldus in Letland. Inmiddels is ook het lichaam van Leo naar deze begraafplaats overgebracht. Zijn graf is te vinden in vak L, rij 24, graf 471.
Het ziet er naar uit dat de familie van Leo B. pas laat op de hoogte werd gebracht. Op 30 augustus 1951 werd een zus van hem, die woonde in Kempen-Krefeld, Noordrijn-Westfalen, door de Deutsche Dienststelle op de hoogte gesteld van het lot van haar broer. Op 15 november 1951 werd de Gemeente Hoensbroek door het Nederlandse Rode Kruis geīnformeerd omtrent het lot van Leo B.

Leo B. bereikte de leeftijd van 19 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
  • Internet genealogische sites
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Martinus van B.

Martinus ´Martin´ van B. zag in 1894 in Gemert het levenslicht. Het gezin B. bestond uit vader, moeder en vier kinderen. De vader van Martinus was wever van beroep. Het gezin woonde in Gemert eerst in de Heuvel en later is men verhuisd naar de Molenstraat. De moeder van Martinus overleed in 1899. Zijn vader trad in 1901 opnieuw in het huwelijk. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Martinus van B. vertrok in 1912 vanuit Gemert naar Günnigfeld, een stadsdeel van Wattenscheid, gelegen in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Hij werd zo’n twee maanden later ambtshalve uit het bevolkingsregister van Gemert uitgeschreven, omdat hij zijn vertrek niet officieel had laten registreren.
Op zeker moment heeft Martinus van B. zich in Hoensbroek gevestigd. Hij was toen nog ongehuwd. In 1918 verhuisde hij naar Heerlen en kort daarop trouwde hij in deze stad. Het echtpaar kreeg vier kinderen. Na de geboorte van de eerste twee kinderen liet het gezin zich, komend van Heerlen, in 1928 opnieuw inschrijven in het bevolkingsregister van Hoensbroek. Hier kwamen de andere twee kinderen op de wereld.
Martinus van B. was mijnwerker van beroep en werkte als houwer in een van de steenkolenmijnen. Later verdiende hij zijn brood als vrachtrijder en was hij beheerder van een vervoersbedrijf - vermoedelijk een kolenbedrijf - daarbij gebruik makend van paard en wagen. Het gezin woonde sinds 1939 in de Koestraat in Hoensbroek.
In de Tweede Wereldoorlog was Martinus van B. gedwongen te stoppen met zijn bedrijf. De reden hiervoor is niet bekend. Hij kwam in Duitsland terecht. Op 26 augustus 1944, omstreeks 01.40 uur, kwam hij om het leven tijdens een Geallieerde luchtaanval op Rüsselsheim, in de Duitse deelstaat Hessen. In een door de gemeente Rüsselsheim opgemaakte overlijdensakte staat dat Martinus een Lagerführer was. In hetzelfde document staat ook dat hij woonde op Mainzerstraße 94 en dat hij stierf in een Splitterschutzgraben aldaar.
Op bovengenoemd adres bevond zich een Ausländerlager. Het lag aan de rand van de stad, just voorbij de Opel-fabrieken langs de rivier de Main. Twee grote terreinen, aan weerszijden van de Mainzerstraße, stonden vol met houten barakken. Tussen de barakken waren schuilplaatsen gebouwd, de Splitterschutzgraben, die alleen maar bescherming boden tegen rondvliegend puin en bomscherven. Het Ausländerlager was afgeschermd met een hoge omheining met prikkeldraad. Aan de in- of uitgang stond een wachtlokaal waarin oude militairen de wacht hielden. De oude militairen bewaakten niet alleen het kamp, zij brachten ook de
Placeholder image
Foto van de Opel-fabrieken in Rüsselsheim. Boven in de foto ziet men de rivier de Main, op de voorgrond de fabrieken. Bron: Internet.
dwangarbeiders naar en van de Opel-fabrieken. De dwangarbeiders waren in groepen verdeeld. Elke groep had een eigen kamer in een van de houten barakken van het Ausländerlager en stond onder leiding van een Lagerführer.
In de eerste uren van 26 augustus 1944 werden de Opel-fabrieken in Rüsselsheim aangevallen door 412 Lancaster bommenwerpers van de Royal Air Force. Slechts weinige van de bommen troffen de Opel-fabrieken. Het merendeel kwam neer in de aangrenzende binnenstad van Rüsselsheim en in het Ausländerlager.
In 1997 heeft de Nederlander P.J. Pollemans, geboren in Oude Tonge op het Zuid-Hollandse eiland Goeree-Overflakkee, zijn ervaringen opgeschreven in een boek met de titel: ‘Dwangarbeider in Duitsland 1943-1945’. Hij werkte van juli 1943 tot en met september 1944 als dwangarbeider in de Opel-fabrieken in Rüsselsheim en verbleef net als Martinus van B. in hetzelfde Ausländerlager. In zijn boek schrijft hij: “In dat wachtlokaal zat ook een Hollandse, Duitsgezinde vrijwilliger, een z.g. Lagerführer, die daar wat administratief werk verrichtte en uitgaande Nederlanders controleerde of zij echt wel vrij hadden. Indien er problemen waren, moest je ook bij hem terecht”. Iets verder in het boek schrijft hij het volgende over de luchtaanval: “Er waren door dit bombardement ongeveer 300 doden en vele gewonden. Ook de Hollandse verbindingsman Lagerführer was dood. Bij de ingang van het kamp stonden enkele bovengrondse ronde betonnen bunkertjes met stalen deur, waarin maar staanplaats was voor een één, hooguit twee personen. Men zou ze kunnen vergelijken met de houten wachthokjes, die je meestal aantreft bij de ingangen van militaire kazernes. Zij waren dan ook bedoeld voor de wacht en gaven enige bescherming tegen rondvliegende scherven. Op ooghoogte bevonden zich een aantal spleten om de omgeving te verkennen. De verbindingsman zei altijd geen vertrouwen te hebben in de Splittergraben - waar hij natuurlijk groot gelijk in had - en ging daar dan ook nooit in. Hij was er trots op dat hij van zo’n bunkertje gebruik mocht maken en telkens als er een luchtaanval begon, ging hij het bunkertje in. Bij dit bombardement was het bovenstuk van zijn bunkertje precies tot aan de spleten afgerukt en verdwenen. Toen het bunkertje werd geopend, en men hem er uit haalde bleek hij onthoofd te zijn, alleen zijn kinnebak zat nog aan zijn keel”.
In een correspondentie, welke werd gevoerd in het kader van het onderzoek over de slachtoffers, die een relatie met Hoensbroek hadden, vertelde Pollemans dat Martinus van B. de bovengenoemde Lagerführer moet zijn geweest. Hij stelt, dat er maar één Nederlandse Lagerführer in het Ausländerlager aan de Mainzerstraße gezeten heeft. Omdat de Lagerführer geen dwangarbeider was, maar een vrijwilliger, hadden de gevangenen bijna geen contact met hem en hij was ook ouder dan de anderen. Volgens Pollemans was Martinus van B. een schriele man.
Het staat echter niet onomstoten vast of Martinus van B. de bewuste Lagerführer is geweest. Pollemans koppelt het luchtbombardement aan de datum 12 augustus 1944. Echter, in de overlijdensakte van Martinus van B. wordt de datum 26 augustus 1944 genoemd. Op beide dagen werd Rüsselsheim inderdaad door de Royal Air Force gebombardeerd. Betreft het hier een fout van Pollemans of is er een fout gemaakt bij het opmaken van de overlijdensakte? Dit laastste is mogelijk, gezien de toenemende chaotische situatie in Duitsland. Zo werd de overlijdensakte van Martinus van B. pas op 14 augustus 1945 opgemaakt.
Martinus van B. werd op 30 augustus 1944 begraven op het Waldfriedhof in Rüsselsheim. Later vond er een herinrichting plaats van het kerkhof. Tegenwoordig wordt de begraafplaats aangeduid als Kriegsgräberstätte in Rüsselsheim en is het graf van Martinus van B. te vinden in rij 9, graf 117.
In 2001 liet de directie van Opel op de plek van het toenmalige Ausländerlager een gedenksteen plaatsen voor de doden die gevallen waren tijdens de bombardementen. Er kwam kritiek, want op deze gedenksteen stond het woord Fremdarbeiter in plaats van Zwangsarbeiter. Desondanks weigerde de directie van Opel dit te veranderen.

Martinus van B. bereikte de leeftijd van 49 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Gemert
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Stadtarchiv Rüsselsheim
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge, Kassel, Duitsland
  • Heemkundekring De Kommanderij Gemert
  • Boek Dwangarbeider in Duitsland 1943-1945 van P.J. Pollemans
  • nternet genealogische sites
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Nicolaas B.

Nicolaas B. kwam in 1919 in Hoensbroek op de wereld. Het gezin B. bestond uit: vader, moeder en tien kinderen. Het gezin heeft in Hoensbroek op verschillende adressen gewoond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonden de ouders in de Buttingstraat in Hoensbroek. De vader van Nicolaas was mijnwerker van beroep en werkte als stoker op de Staatsmijn Emma in Treebeek. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Nicolaas B. heeft zeven klassen lager onderwijs doorlopen. Op 18 december 1939 werd hij Buiten Tegenwoordigheid opgeroepen voor de gewone dienstplicht bij het 7e Regiment Veld Artillerie (bereden). Dat kwam omdat hij lijfelijk niet aanwezig was, want als oudste zoon was hij voor de tijd van één jaar vrijgesteld van dienst, wegens kostwinnerschap. De vrijstelling ging in op 15 augustus 1939. In die tijd werkte hij nog als melkventer. Nicolaas was tijdens de Duitse inval, mei 1940, niet in actieve dienst, omdat hij zich pas op 17 mei moest melden. Inmiddels was hij van beroep veranderd. Hij werkte, net als zijn vader, op de Staatsmijn Emma, maar dan als sleper.
Nicolaas B. trouwde in 1940 en het echtpaar kreeg één kind. Het gezin woonde in de Buttingstraat in Hoensbroek, in dezelfde straat als Nicolaas’ ouders.
Hij behoorde tot de Nederlanders die zich aanmeldden om te vechten tegen het Bolsjewisme. Volgens een verklaring van zijn vrouw had hij, bij een bezoek aan een vriend in Amsterdam, een café bezocht. Onder invloed van alcohol had hij zich toen vrijwillig aangemeld. Dit heeft zich op z’n vroegst in 1943 afgespeeld, want de eenheid, waar hij zijn militaire basisopleiding kreeg, het SS-Panzer-Grenadier-Ausbildungs- und Ersatz-Bataillon 11, bestond pas vanaf mei 1943. Het bataljon was in het Oostenrijkse Graz gelegerd.
Nadat hij naar Hoensbroek was teruggekeerd voor een verlofperiode, werd hem een onderduikadres in Roggel aangeboden, hetgeen hij weigerde.
Na zijn basisopleiding werd Nicolaas B. opgenomen in de 4. SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Brigade ‘Nederland’. Deze brigade was in de nazomer van 1943 opgericht, als onderdeel van het III. (Germaanse.) SS-Panzer-Korps. Nicolaas diende als SS-Panzer-Grenadier in de 5. Kompanie, II. Bataillon, SS-Panzer-Grenadier-Regiment 49 ‘De Ruyter’.
Eind augustus, begin september 1943 werd de brigade ingezet in Kroatië. Na een kort verblijf in de Balkan werd de eenheid eind december 1943 naar het noordelijk deel van het oostfront verplaatst, ten westen van het Russische Leningrad.
Op 14 januari 1944 opende het Rode Leger een groot offensief in de richting van de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen. In de daarop volgende maanden werd het Duitse leger teruggedrongen. Vanaf 25 juli 1944 bevond de 4. SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Brigade ‘Nederland’ zich ongeveer 20 kilometer ten westen van Narva, Estland. Daar had zij posities ingenomen in een verdedigingslinie, die bekend stond als de Tannenberg-Stellung.
Op 18 augustus 1944 verstuurde Nicolaas B. vanuit de Tannenberg-Stellung een brief naar zijn vrouw in Hoensbroek. Zij ontving hem op 30 augustus 1944 en later zou blijken dat het zijn laatste brief was.
Placeholder image
Landkaart van Europa. De rode stip is globaal de locatie in Estland, waar Nicolaas B. gesneuveld is.
Bron: Jan van den Berg.
Nicolaas kwam op 6 september 1944, omstreeks 06.00 uur, in de omgeving van Kinderheim Höhe om het leven. Hij werd door een granaatsplinter getroffen. Kinderheim Höhe is een heuvel, die samen met twee andere heuvels ook wel de Blauwe Bergen worden genoemd. Dankzij de hoogteverschillen en rotsachtige ondergrond zijn deze heuvels getuige geweest van vele oorlogen. De meest felle strijd die zich in en rond dit gebied heeft afgespeeld, was de strijd in 1944, toen de drie heuvels onderdeel vormden van de Tannenberg-Stellung. De meest oostelijke heuvel heeft de naam Weeshuis- of Parkheuvel en ligt circa 85 meter boven het zeeniveau en is ongeveer 40 meter hoger dan de omgeving. Tegen het einde van de 19e eeuw werd het op deze heuvel gelegen landhuis gekocht door een baron, die er een park liet aanleggen. Na de Eerste Wereldoorlog werd het landhuis onteigend en men maakte er een weeshuis van. Daarna werd de heuvel ook wel Kinderheim Höhe genoemd.
Naar alle waarschijnlijkheid werd Nicolaas B. als onbekende soldaat begraven op het Duitse oorlogskerkhof aan de Rakverestraat in Jöhvi, Estland. Hier rusten ongeveer 3.000 soldaten. De naam Nicolaas B. komt voor in het Gedenkbuch van dit kerkhof.
Op 30 september 1944 ontving zijn vrouw een bericht van SS-Oberscharführer Hans von Altrock, de commandant van Nicolaas B., waarin werd verteld dat haar man was gesneuveld. Dit bericht werd aan haar overhandigd door iemand van de politie.

Nicolaas B. bereikte de leeftijd van 25 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Ministerie van Defensie, Bureau RIOP te Kerkrade
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
  • Internet genealogische sites
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Pieter B.

Pieter B. zag in 1925 in Hoensbroek het levenslicht. Het gezin B. bestond uit: vader, moeder en vier kinderen, onder wie Pieter, Johannes (zie zijn verhaal) en Lammert (zie zijn verhaal). In 1933 gingen de ouders scheiden. De drie zonen werden aan de vader toegewezen. Deze trouwde in 1933 in Hoensbroek opnieuw. Uit dit tweede huwelijk werd nog een kind geboren. De vader verdiende zijn inkomen als handelaar in melk, boter, kaas en eieren. Hij was een zelfstandig ondernemer. Het gezin woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog in Hoensbroek in de Hermesweg. De drie zonen bleven contact houden met hun biologische moeder, die lid was van de NSB. Volgens een verklaring van haar ex-echtgenoot hadden de drie zonen, te weten Pieter, Johannes en Lammert, zich door haar toedoen bij de Waffen-SS aangemeld. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Pieter B. was tijdens de Tweede Wereldoorlog een van de Nederlanders, die zich aanmeldden voor dienst bij de Duitse Waffen-SS. Wanneer dit gebeurde kon niet meer worden achterhaald. Zijn militaire basisopleiding kreeg hij in het Oostenrijkse Graz bij een eenheid, die pas sinds mei 1943 bestond, te weten: SS-Panzer-Grenadier-Ausbildungs- und Ersatz-Bataillon 11. Na zijn opleiding diende Pieter eerst in de 2. Batterie, SS-Feld-Artillerie-Bataillon, SS-Divison ‘Wiking’.
Placeholder image
Landkaart van Europa. De rode stip is globaal de locatie in Estland, waar Pieter B. gesneuveld is.
Bron: Jan van den Berg.
In de nazomer van 1943 werd de 4. SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Brigade ‘Nederland’ opgericht. De brigade bestond uit het voormalige SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’, Nederlanders van de SS-Division ‘Wiking’ en nieuwe vrijwilligers uit Nederland en Roemenië. Pieter B. diende als SS-Panzer-Grenadier in de 4. Kompanie, I. Bataillon, SS-Panzer-Grenadier-Regiment 48 ‘Generaal Seyffardt’, 4. SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Brigade ‘Nederland’. Hij vervulde een functie binnen de Stabskompanie.
Omstreeks het einde van augustus en het begin van september 1943 werd de brigade voor het eerst ingezet in Kroatië. Na een kort verblijf in de Balkan werd deze eenheid eind december 1943 naar het noordelijk deel van het oostfront verplaatst, ten westen van het Russische Leningrad. Op 14 januari 1944 opende het Rode Leger een groot offensief in de richting van de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen. Tot 27 januari 1944 wist de 4. SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Brigade ‘Nederland’ haar posities ten westen van Leningrad met succes te verdedigen. Maar toen was de druk van het Rode Leger dermate groot dat men terug moest wijken.
Pieter B. was een van de slachtoffers in die zware gevechten. Op 26 januari 1944, om 01.10 uur, sneuvelde hij toen hij door een granaatsplinter werd getroffen. Hij werd begraven op het Ehrenfriedhof aan de Hungerburgerstrasse in Narva in Estland. Tot op heden is de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge niet in staat gebleken om zijn graf terug te vinden en zijn stoffelijk resten over te brengen naar een van haar begraafplaatsen.

Pieter B. bereikte de leeftijd van 18 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018

Peter Bakker

Peter Bakker kwam op 30 april 1938 in Hoensbroek op de wereld. Zijn ouders waren: Jacob Bakker, geboren op 21 juni 1913 in Nijemirdum en Maria Antoinetta Peters, geboren op 24 december 1914 in Hoensbroek. Zij waren op 3 november 1933 in Hoensbroek getrouwd.
Behalve Peter kreeg het echtpaar nog drie andere kinderen. Jacob Bakker, de vader, was mijnwerker van beroep en werkte als sleeper in een van steenkolenmijnen. Gedurende de Tweede Wereldoorlog woonde hij met zijn gezin in Hoensbroek op Damiaanstraat 11. De leden van het gezin bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Na een bezettingstijd van meer dan vier jaar werd Hoensbroek op 18 september 1944 door de Amerikanen bevrijd. Voor aanvang van de oorlog ging het vervoer over de weg nog veelal met paard en wagen. Het aantal auto’s was in die tijd nog gering. In de oorlog staakten de fabrieken de productie van auto’s, die specifiek gemaakt werden voor de burgerbevolking. Er werd uitsluitend geproduceerd voor de oorlog. In Nederland werden de auto’s door de Duitse bezetter gevorderd. Enkele burgers, waaronder artsen, alsmede bijvoorbeeld transportbedrijven, mochten weliswaar hun auto behouden, maar werden meer en meer geconfronteerd met benzineschaarste en uiteindelijk was het voor de burgers helemaal niet meer te verkrijgen. Het moet in de oorlogsjaren rustig zijn geweest op straat.
Placeholder image
In dit schrijven aan de bevolking wijst J.H. Martin, de burgemeester van Hoensbroek, de bevolking op onder andere de gevaren van het snelverkeer op de wegen. Vooral kinderen lopen het meeste gevaar.
Bron: Gemeentearchief Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen.
Met de komst van de Geallieerden nam het militair vervoer op de straten en wegen van Hoensbroek enorm toe. De burgers waren het intensieve militaire verkeer niet gewend en dit leidde tot gevaarlijke situaties, vooral voor kinderen. Het drukke militaire verkeer was aanleiding voor J.H. Martin, de burgemeester van Hoensbroek, om op 21 oktober 1944 de volgende bekendmaking te publiceren: “De Burgemeester van Hoensbroek brengt, op verzoek van de betreffende Amerikaanse Commandant, ter openbare kennis: dat alle ouders in deze gemeente verzocht worden hun kinderen van de straat te houden; deze kinderen lopen wegens het vereiste snelverkeer groot gevaar voor hun leven”.
Ook in dagbladen werd om aandacht gevraagd voor deze situatie. Zo stond er in het dagblad Veritas van 25 oktober 1944 het volgende artikel: “We weten allen, dat het militaire verkeer in dit oorlogsgebied thans voorgaat bij elk burgerlijk rij- en voetgangersverkeer. Maar daarnaast is het ook van belang, dat de weggebruikers, zowel auto- en wagenbestuurders als fietsers, steeds en overal goed rechts houden op de rijweg. Want het militaire verkeer, dat vaak snel moet gaan, kan niet telkens opgehouden of belemmerd worden door wagens en auto’s, die aan de verkeerde kant van de weg of straat of vaak ook midden op de rijweg zitten. Ook voor fietsers geldt dezelfde waarschuwing. En voetgangers dienen, waar zulks maar enigszins mogelijk is, helemaal van de rijweg te blijven en zich tot de trottoirs of voetpaden te beperken. De Amerikanen zijn heel inschikkelijk, maar we kunnen op den duur toch niet te veel van hun geduld vergen.”
Ondanks dit soort waarschuwingen vond er op 22 december 1944, om 11.00 uur, een tragisch verkeersongeval plaats in de Hoofdstraat in Hoensbroek. De 6-jarige Peter Bakker werd door een Brits militair voertuig aangereden en kwam daarbij om het leven. In het dagrapport van de gemeentepolitie van Hoensbroek is te lezen dat door de hoofdagent van Loon en rechercheur Niesten een onderzoek werd ingesteld naar het ongeluk. Hun origineel rapport kon niet meer achterhaald worden. Een dag na het ongeval deed de vader bij de ambtenaar van de burgelijke stand aangifte van de dood van zijn zoontje. Het is niet bekend waar Peter Bakker werd begraven.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Nuth
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Veritas d.d. 25 oktober 1944
  • Internet genealogische sites
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Jagielo Barczijk

Jagielo Barczijk kwam op 15 juni 1920 in Hoensbroek op de wereld. Zijn ouders waren: Wilhelm Barczijk, geboren op 16 januari 1893 in Kobijla en Barbara Deniel, geboren op 23 november 1895 in Schönburg. Kobijla maakte in die tijd deel uit van het Duitse keizerrijk, nu ligt het in de Poolse provincie Wielkopolska. Ook Schönburg behoorde toentertijd tot het Duitse keizerrijk. Tegenwoordig ligt het in de Poolse provincie Silezië. Het echtpaar kreeg drie kinderen, waarvan wij Jagielo al genoemd hebben. Marjan Barczijk was hun andere zoon (zie zijn verhaal).
Op 8 november 1918 verhuisde het gezin van Heerlen naar Hoensbroek, om te gaan wonen op Akerstraat 184. Wilhelm Barczijk was in Heerlen mijnwerker van beroep, maar in Hoensbroek verdiende hij de kost als coiffeur en had hij een eigen zaak. Hij was lid van de Vereenigde Coiffeurs van Heerlen en omstreken. Tevens maakte hij deel uit van het Pools Comité in Nederland en organiseerde ondermeer een Pools Nationaal Feest dat in 1924 werd gehouden in het Patronaat aan de Sittarderweg in Heerlen. Het gezin Barczijk heeft niet lang in Hoensbroek gewoond, want op 21 maart 1928 vertrok het naar Schildberg, dat in die tijd in Pruisen lag, maar tegenwoordig bekend is onder de naam Ostrzeszów, gelegen in de Poolse provincie Wielkopolska. De gezinsleden bezaten de Duitse nationaliteit.
Placeholder image
Landkaart van Europa. De rode stip is globaal de locatie in Letland, waar Jagielo Barczijk vermist raakte. Bron: Jan van den Berg
Jagielo Barczijk, de zoon, diende tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Duitse leger. Als rekruut kwam hij op 3 oktober 1940 terecht in de Ballon-Batterie-Beobachtungs-Ersatz-Abteilung 4. Deze eenheid was bestemd voor het aanvullen van verliezen, die opgelopen waren in gevechten. Het was gelegerd in Meißen, in de Duitse deelstaat Saksen.
Later maakte Jagielo Barczijk als Obergefreiter deel uit van de 3. Kompanie, Leichte Beobachtungs-Batterie (mot) 5. Het was een onderdeel van de artillerie en had het coördineren van vuursteun als taak. Wanneer hij bij de eenheid kwam kon niet meer worden achterhaald. In 1944 behoorde de batterij tot de 18. Armee, dat actief was aan het noordelijke deel van het oostfront.
Jagielo Barczijk werd vanaf 2 augustus 1944 vermist bij Pertnieki (Pertnīki), Letland. Sindsdien heeft men niets meer van hem vernomen. Zijn moeder, die toentertijd woonde op Loslauerstraße 42 in Schönburg (haar geboorteplaats), werd op de hoogte gesteld van zijn vermissing. Het is opmerkelijk dat Marjan Barczijk, haar andere zoon, die ook in het Duitse leger zat, eveneens vermist raakte in de oorlog, zij het een jaar eerder.

Toen Jagielo Barczijk vermist raakte, was hij 24 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Marjan Barczijk

Marjan Barczijk kwam op 1 november 1917 in Heerlen op de wereld. Zijn ouders waren: Wilhelm Barczijk, geboren op 16 januari 1893 in Kobijla en Barbara Deniel, geboren op 23 november 1895 in Schönburg. Kobijla maakte in die tijd deel uit van het Duitse keizerrijk, nu ligt het in de Poolse provincie Wielkopolska. Ook Schönburg behoorde toentertijd tot het Duitse keizerrijk. Tegenwoordig ligt het in de Poolse provincie Silezië. Het echtpaar kreeg drie kinderen, waarvan wij Marjan al genoemd hebben. Jagielo was hun andere zoon (zie zijn verhaal).
Op 8 november 1918 verhuisde het gezin Barczijk van Heerlen naar Hoensbroek, waar het ging wonen op Akerstraat 184. Wilhelm Barczijk was in Heerlen mijnwerker van beroep, maar in Hoensbroek verdiende hij de kost als coiffeur en had hij een eigen zaak. Hij was lid van de Vereenigde Coiffeurs van Heerlen en omstreken. Tevens maakte hij deel uit van het Pools Comité in Nederland en organiseerde ondermeer een Pools Nationaal Feest dat in 1924 werd gehouden in het Patronaat aan de Sittarderweg in Heerlen.
Placeholder image
Document met gegevens over Marjan (Marian) en Jagielo (Jagiello) Barczijk, de twee broers die in het Duitse leger hebben gevochten en beide vermist raakten, de een in Tunesië, de ander in Letland.
Bron: Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn.

Het gezin Barczijk heeft niet lang in Hoensbroek gewoond, want op 21 maart 1928 vertrok het naar Schildberg dat in die tijd in Pruisen lag, maar tegenwoordig bekend is onder de naam Ostrzeszów, gelegen in de Poolse provincie Wielkopolska. De gezinsleden bezaten de Duitse nationaliteit.
Placeholder image
Landkaart van Europa en Noord-Afrika. De rode stip is globaal de locatie in Tunesië, waar Marjan Barczijk vermist raakte.
Bron: Jan van den Berg.

















In de Tweede Wereldoorlog diende Marjan Barczijk, de zoon, in het Duitse leger. Als rekruut werd hij opgenomen in de 1. Kompagnie, Kraftfahrer-Ersatz-Abteilung 29. Deze eenheid was bestemd voor het aanvullen van verliezen, die opgelopen waren in gevechten. Het was gelegerd in Fulda, in de Duitse deelstaat Hessen. Later werd het verplaatst naar Gera, in de Duitse deelstaat Thüringen. Marjan voegde zich begin 1943 in Gera bij de eenheid.
Na zijn militaire basisopleiding kwam Marjan Barczijk als Gefreiter in Noord-Afrika terecht. Hij maakte deel uit van de III. Zug, Werkstatt-Kompanie, Panzer-Regiment 7, 10. Panzer-Division. Zijn compagnie was belast met het repareren van de voertuigen. De divisie behoorde tot het beroemde Afrika Korps. In december 1942 was het naar Noord-Afrika overgeplaatst, nadat de Geallieerden daar aan land waren gegaan in operatie Torch.
Marjan Barczijk werd begin mei 1943 vermist in de omgeving van de stad Tunis, in Tunesië. In diezelfde periode werd de 10. Panzer Division compleet vernietigd. Men heeft nimmer meer iets van Marjan vernomen. Zijn moeder, die toentertijd woonde op Loslauerstraße 42 in Schönburg (haar geboorteplaats), werd op de hoogte gesteld van zijn vermissing. Het is opmerkelijk dat Jagielo Barczijk, haar andere zoon, die ook in het Duitse leger zat, eveneens vermist raakte in de oorlog, zij het een jaar later.

Toen Marjan Barczijk vermist raakte, was hij 25 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Eliëzer de Beer

Eliëzer de Beer kwam op 21 juli 1896 in Hengelo op de wereld. Zijn ouders waren: Levie de Beer, geboren op 6 april 1860 in Borne en Rosa Sanders, geboren op 28 augustus 1871 in Meppen, in de Duitse deelstaat Nedersaksen. Zij waren gehuwd op 10 december 1894 in Meppen. Behalve Eliëzer kregen zij nog vier andere kinderen. Levie de Beer was een veehandelaar. Omstreeks 1920 werd hij door de rechtbank van Almelo failliet verklaard. In de Tweede Wereldoorlog woonden de ouders van Eliëzer op Berkenkamp 31-33 in Enschede. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit en waren Joods.
Eliëzer de Beer, de zoon, trouwde op 14 januari 1920 in Amsterdam met Saartje Mendes Monterra, geboren op 22 juli 1895 in Amsterdam. Het echtpaar kreeg vier kinderen. De eerste twee kinderen kwamen in Amsterdam op de wereld: Mimi Rosa op 26 september 1920 en Louis Samuel op 11 februari 1922. Na de geboorte van zijn eerste twee kinderen verhuisde Eliëzer naar het Belgische Anderlecht, terwijl zijn vrouw en twee kinderen in Amsterdam achter bleven. Op 4 februari 1925 vertrok Eliëzer naar Heerlen om daar te gaan wonen op Mesdagstraat 25. Ruim een maand later, op 25 maart 1925, kwam de rest van zijn gezin van Amsterdam over naar Heerlen en was het opnieuw herenigd. Kort daarna, op 17 juni 1925, liet Eliëzer wederom zijn vrouw en twee kinderen achter om te gaan wonen in Hoensbroek op Slakkenstraat 25.
Placeholder image
Eliëzer de Beer.
Bron: Mecheln-Auschwitz 1942-1944, deel 3: gezichten van gedeporteerden.
Lang was het verblijf van Eliëzer de Beer in Hoensbroek niet, want op 18 september 1925 keerde hij naar zijn gezin in Heerlen terug. Zij allen verhuisden op 13 december 1926 naar Maastricht. In deze plaats verbleef men twee jaar en op 28 december 1928 vertrok men naar Amsterdam. Hier werd Samuel Nathan David, het derde kind, op 3 maart 1930 geboren. Vervolgens ging men weer in Maastricht wonen waar Benjamin, het vierde en laatste kind, op 15 mei 1931 het levenslicht zag.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde Eliëzer de Beer nog steeds in Maastricht en wel op Alexander Battalaan 35a. Hij was toen chauffeur van beroep. Zijn vrouw en vier kinderen waren inmiddels weer naar Amsterdam teruggekeerd en woonden op Vrolikstraat 261. Op 9 april 1941 werd de naam van Eliëzer de Beer afgevoerd uit het bevolkingsregister van Maastricht wegens vertrek met onbekende bestemming. Wat was er gebeurd?
Op zeker moment werd Eliëzer de Beer in Maastricht of België gearresteerd. Hij was actief in de hulpverlening aan Joden en was door de bezetter opgepakt. Hij kwam terecht in het SS-Sammellager Mecheln dat gevestigd was in de voormalige Kazerne Dossin in het Belgische Mechelen. Het was een verzamelkamp voor Joden die in België waren opgepakt. Van hier werden zij gedeporteerd naar concentratiekampen in het oosten en Auschwitz II (Auschwitz-Birkenau) was in heel veel gevallen de bestemming. Dit kamp was een Vernichtungslager, gelegen bij de rivier Sola en in de buurt van de huidige Poolse plaats Oświęcim.
Op 31 juli 1943 vertrok Transport 21 uit Mechelen met 1.553 gevangenen, waaronder Eliëzer de Beer, naar Auschwitz II. Op 3 augustus 1943 werd hij vermoord in dit kamp. Eliëzer de Beer bereikte de leeftijd van 47 jaar.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonden zijn vrouw en kinderen zoals gezegd in Amsterdam op Vrolikstraat 261. Op zeker moment werden ook zij door de Duitse bezetter opgepakt. Saartje Mendes de Beer-Monterra en drie van de vier kinderen, te weten Mimi Rosa, Samuel Nathan David en Benjamin, kwamen op 10 februari 1943 terecht in Kamp Vught (Konzentrationslager Herzogenbusch). Louis Samuel, het vierde kind, arriveerde een dag later in hetzelfde kamp.
Op 7 juni 1943 werden de moeder, Mimi Rosa, Samuel Nathan David en Benjamin overgebracht naar Kamp Westerbork, een Juden Durchgangslager, gelegen in de buurt van Hooghalen. De volgende dag, op 8 juni 1943, werden zij met 3.013 andere gevangenen per trein getransporteerd naar Sobibór, een Vernichtungslager, gelegen bij de grensrivier Bug tussen Polen en de Oekraïne en in de buurt van de huidige Poolse plaats Sobibór. Louis Samuel arriveerde ook nu weer later in Westerbork en wel op 17 juli 1943. Op 20 juli 1943 vertrok hij met 2.208 anderen eveneens naar Sobibór.

Saartje Mendes Monterra, de moeder, werd vermoord op 11 juni 1943 in Sobibór, op een leeftijd van 47 jaar. Mimi Rosa, Samuel Nathan David en Benjamin werden ook op 11 juni 1943 in Sobibór vermoord, op een leeftijd van resp. 22, 13 en 12 jaar. Louis Samuel vond ruim een maand later de dood, op 23 juli 1943 in Sobibór. Hij was 21 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Amsterdam
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Herinneringscentrum Kamp Westerbork te Hooghalen
  • Yad Vashem The Central Database of Shoah Victim’s Names te Jeruzalem
  • Digitaal Monument Joodse Gemeenschap in Nederland te Amsterdam
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Internet genealogische sites
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


originele versie d.d. oktober 2018


Hendricus Johannes Marie Beijers

Hendricus ‘Henk’ Johannes Marie Beijers kwam op 5 maart 1927 in Hoensbroek op de wereld. Zijn ouders waren: Hendricus Ludovicus Beijers, geboren op 15 april 1893 in Amsterdam en Allegonda Maria Prijden, geboren op 12 juli 1898 in Haarlem.
Het stel was op 13 mei 1923 in Heemstede gehuwd. Op 8 juni 1923 heeft het echtpaar zich, komend van Heerlen, laten inschrijven in het bevolkingsregister van Hoensbroek. Behalve Hendricus kregen zij nog vijf andere kinderen. Hendricus Ludovicus Beijers, de vader, was hoofdonderwijzer van beroep. Hij werkte op de Sint Petrusschool, gelegen aan de Wilhelminastraat in Hoensbroek. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde het gezin op Wilhelminastraat 36 in Hoensbroek. Op last van de Duitse bezetter was de straatnaam gewijzigd in Raadhuisstraat. De bezetter wilde niet dat de straatnamen genoemd waren naar nog in leven zijnde leden van het koninklijk huis. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Placeholder image
Hendricus Johannes Marie Beijers. Bron: Jaarboek Bisschoppelijk College te Sittard.
Hendricus Johannes Marie Beijers, de zoon, zat op de H.B.S. van het Bisschoppelijk College in Sittard. Hij was behalve misdienaar ook lid van de scouting Sint Gerlach in Hoensbroek. Na de bevrijding van Zuid-Limburg hebben meerdere inwoners van Hoensbroek zich als oorlogsvrijwilliger aangemeld bij de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.), waar zij dienst deden bij de Bewakingstroepen of Stoottroepen. Mede door zijn talenkennis bood Hendricus Johannes Marie Beijers diens hulp aan bij de Bewakingstroepen, maar in officiële zin maakte hij er geen deel van uit. Hij fungeerde als tolk tussen de Bewakingstroepen en Amerikanen.

In Hoensbroek hadden de Bewakingstroepen een kantoor, dat was ondergebracht in een tandartspraktijk gelegen aan de Nieuwstraat. Nu bevindt zich hier het kruispunt van de Nieuwstraat met de Marktstraat. De tandartspraktijk lag ten westen van het tegenwoordige kruispunt.
Na de bevrijding werden door de Geallieerden grote hoeveelheden munitie en brandstof opgeslagen rondom Hoensbroek. Niet alle munitie was van Geallieerde makelij. Duitse munitie, die op verschillende plaatsen aangetroffen was, werd door de Amerikanen verzameld en opgeslagen. Een van de plaatsen waar Duitse munitie opgeslagen werd, bevond zich in een weiland, precies tegenover de steenfabriek ‘Ten Esschen’, gelegen aan de Wijngaardsweg 51b in Hoensbroek. Op 18 november 1944 had een Amerikaanse legervrachtwagen op deze plek Duitse munitie afgeladen en opgeslagen. De Wijngaardsweg vormde toen de gemeentegrens tussen Hoensbroek en Heerlen. De munitie lag net op Heerlens grondgebied.
Een dag later, omstreeks 09.00 uur, meldde de eigenaar van de steenfabriek ‘Ten Esschen’ aan de gemeentepolitie van Hoensbroek het dumpen van munitie. Vermoedelijk was hij bezorgd, dat de explosieven een gevaar vormden voor zijn steenfabriek. Mede daardoor kwam de Amerikaanse Militaire Politie om 10.00 uur poolshoogte nemen, maar deze is vervolgens weer verdwenen. In de namiddag arriveerden mannen van de Bewakingstroepen met paard en wagen om de munitie op te laden en over te brengen naar Kasteel Hoensbroek. Echter, de werkzaamheden moesten op last van een Amerikaanse officier worden gestaakt. De munitie die op de wagen was geladen werd weer op de grond gelegd. Daarna zijn de mannen van de Bewakingstroepen vertrokken. In de dagen daarop werd de plaats regelmatig gecontroleerd door de Amerikaanse Militaire Politie.

Een burger informeerde in de avond van 22 november 1944 de commandant van het 3e Peloton, 1e Compagnie Hoensbroek, Bewakingsbataljon Treebeek, dat er op ‘Ten Esschen’ Duitse munitie lag opgeslagen en dat deze niet bewaakt werd. In verband daarmee werd op 23 november 1944, omstreeks 8.00 uur, door de Bewakingstroepen een patrouille uitgezonden, bestaande uit twee man. Zij hadden tot taak de gewone tocht langs de Amerikaanse munitiedepots te maken en daarbij tevens te letten op de Duitse munitie, die bij ‘Ten Esschen’ was gedeponeerd. De twee mannen van de Bewakingstroepen arriveerden om 10.00 uur bij de munitie aan de Wijngaardsweg en zijn er de rest van de dag gebleven om het te bewaken.
Omstreeks 15.00 uur stopte een Amerikaanse legervrachtwagen bij de opgeslagen Duitse munitie. Het voertuig werd bestuurd door twee Amerikaanse soldaten van het 657th Ordnance Ammunition Company. Een van hen was een blanke, de ander een neger. Ook zaten er in de vrachtwagen vijf gevangenen die gedetineerd waren in kasteel Hoensbroek.
Placeholder image
Schets, met daarop de situatie aan de Wijngaardsweg, de plek waar Hendricus Johannes Marie Beijers bij een munitie-explosie zijn leven verloor. Bron: Hans Heltzel.
De twee mensen van de Bewakingstroepen, die de omgeving bewaakten, zijn toen poolshoogte gaan nemen. De Amerikanen hadden opdracht gekregen om met de gevangenen de munitie op de legervrachtwagen te laden. Op de locatie bevond zich op dat moment eveneens de in zijn uniform geklede scout Hendricus Johannes Marie Beijers. Het is niet precies bekend waarom hij daar was. Wel staat vast, dat leden van de scouting regelmatig hulp verleenden aan de Amerikanen en de Bewakingstroepen door de omgeving van de opslagdepots in de gaten te houden. Op deze manier probeerde men nieuwsgierigen, vooral kinderen, op afstand te houden. De scouts droegen dan hun uniformen, maar bezaten uiteraard geen wapens.

Tijdens het laden van de munitie in de legervrachtwagen moet er iets zijn mis gegaan, want op zeker moment, rond 15.15 uur, ontplofte een deel van de munitie. Bij de zware explosie vonden de twee Amerikaanse soldaten, de twee mannen van de Bewakingstroepen (zie de verhalen van Elmore Leroy Jenkins, Peter Jozef Gielen en Hendricus Stienstra), alsmede de scout Hendricus Johannes Marie Beijers, de dood. De identiteit van de andere Amerikaanse soldaat kon niet meer achterhaald worden.
Placeholder image
Graf van Hendricus Johannes Marie Beijers op de Algemene Begraafplaats Sint Jan Evangelist in Hoensbroek Bron: Jan van den Berg
Bij de explosie raakten ook de vijf gevangenen van kasteel Hoensbroek gewond. Drie van hen werden overgebracht naar het Amerikaanse hospitaal, dat gevestigd was in de Sint Antoniusschool op Juliana Bernhardlaan 183 in Hoensbroek. Bij aankomst was een van hen inmiddels overleden (zie het verhaal van Hilarius M.). Later werden de andere twee overgebracht naar het Sint Jozefziekenhuis in Heerlen. De vierde en vijfde gevangene zijn van de plek des onheil direct overgebracht naar het Sint Jozefziekenhuis in Heerlen.
Ook is een arbeider van de glasfabriek Leufkens uit Heerlen, die op de steenfabriek ‘Ten Esschen’ aan het werken was, met lichte verwondingen overgebracht naar het Sint Jozefziekenhuis in Heerlen.
Op 28 november 1944, om 09.45 uur, vond in de parochiekerk Sint Jan Evangelist in Hoensbroek de plechtige uitvaartdienst plaats van Hendricus Johannes Marie Beijers en de twee mannen van de Bewakingstroepen. De doodskist van Hendricus Johannes Marie Beijers werd gedragen door leden van de scouting Sint Gerlach. Na de dienst werd Hendricus Johannes Marie Beijers, samen met één van de mannen van de Bewakingstroepen, begraven op de toenmalige Rooms-Katholieke begraafplaats Sint Jan Evangelist in Hoensbroek. Bij de plechtigheden was de belangstelling enorm. Zo was het voltallige college van Burgemeester en Wethouders van Hoensbroek bij de plechtigheden aanwezig, en ook de commandant van de Bewakingstroepen Hoensbroek en de chef van de staf van de Bewakingstroepen Mijnstreek. Het graf van Hendricus Johannes Marie Beijers is te vinden op de tegenwoordige Algemene Begraafplaats Sint Jan Evangelist in Hoensbroek, rij 1, nummer 3.

Hendricus Johannes Marie Beijers bereikte de leeftijd van 17 jaar.



Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Ministerie van Defensie, Bureau RIOP te Kerkrade
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Archief Gemeente Heerlen
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Limburgs Dagblad d.d. 28 november 1944
  • Veritas d.d. 2 december 1944
  • Jaarboek Bisschoppelijk College Sittard
  • Smits, oud-Stoottroeper, te Hoensbroek
  • Internet genealogische sites
terug naar boven originele versie d.d. oktober 2018


Wilhelmus Gerardus de Boer

Wilhelmus Gerardus ‘Wiebe’ de Boer kwam op 5 september 1918 in Hoensbroek op de wereld. Zijn ouders waren beide in Amsterdam geboren: Petrus Marie Alphonsus de Boer op 2 februari 1882 en Elisabeth van Kuijk op 13 februari 1893. Zij waren op 20 maart 1918 getrouwd.
Op 13 april 1918 liet het pasgetrouwde stel zich, komend van Heerlen, inschrijven in het bevolkingsregister van Hoensbroek. Hier kwam hun enigst kind op de wereld: Wilhelmus Gerardus. De vader, Petrus Marie Alphonsus de Boer, stond in Hoensbroek ingeschreven als mijnwerker. Het gezin woonde op de Kolonie aan het Station 117. Lang heeft men niet in Hoensbroek gewoond, want op 14 februari 1919 keerde men weer naar Heerlen terug.
Twee jaar later, op 16 juni 1921, verhuisde het gezin van Heerlen naar Amsterdam. Terug in zijn geboorteplaats ging Petrus Marie Alphonsus de Boer zijn oude beroep weer uitoefenen, dat van slager. In het begin van de Tweede Wereldoorlog woonden hij en zijn vrouw nog altijd in Amsterdam. Op 18 maart 1941 verhuisde het echtpaar naar Broekheurnerweg 464 in Enschede. De leden van het gezin bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Placeholder image
Wilhelmus Gerardus de Boer. Bron: Commissie Gedenkboek te Amsterdam.
Wilhelmus Gerardus de Boer, de zoon, had zeven klassen lagere school doorlopen, één jaar ambachtsschool en ten slotte twee jaar technisch onderwijs bij de PTT. Na het afronden van zijn opleiding ging hij in dit bedrijf werken als telegrambesteller. Op 21 maart 1938 werd hij als Gewoon Dienstplichtige ingelijfd bij het 1e Regiment Veldartillerie (Bereden) waar hij actief was als seiner-telegrafist. In het leger bereikte hij de rang van wachtmeester. Wilhelmus Gerardus de Boer, die tot 12 mei 1939 bij zijn ouders in Amsterdam bleef wonen, kon blijkbaar niet lang op eenzelfde plek verblijven. Hij woonde op tal van plaatsen, zoals: Harderwijk, Naarden, Enschede en Amersfoort.
Op 17 april 1942 trouwde Wilhelmus Gerardus de Boer in Enschede met Catharina Lormans, geboren op 8 november 1922 in Lonneker. Ook nadat hij getrouwd was bleef hij met zijn vrouw niet lang op een en dezelfde plek wonen. Het stel verbleef korte tijd in Amersfoort en Enschede. Vanaf 12 juni 1944 woonden zij in Zuilen, een klein dorp aan de rivier de Vecht, op Sint Ludgerusstraat 66. Het echtpaar kreeg één kind.
Tijdens de bezettingsjaren werkte Wilhelmus Gerardus de Boer op de staalfabriek Demka in Zuilen. Op Dolle Dinsdag (5 september 1944) was hij een van de mensen, die collega’s in de fabriek opriepen om te staken. Daarnaast was hij lid van een aantal verzetsorganisaties, ondermeer de Ordedienst (OD) en de Landelijke Knokploegen (LKP). De Ordedienst bereidde zich voor op de situatie direct na de bevrijding van Nederland, waarin sprake zou kunnen zijn van een machtsvacuüm. Zij moest dan zorgen voor orde en rust in het land. De Knokploegen werden opgericht door de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). Het bemachtigen van persoonsbewijzen en distributiebonnen was een van de taken van de Knokploegen en hiervoor werden onder andere gemeentehuizen en distributiekantoren overvallen. De Knokploegen hadden ook nog andere taken. Zoals bijvoorbeeld sabotage, het uitschakelen van verraders en bemachtigen van wapens. Wilhelmus Gerardus de Boer was als verzetsman vooral actief in de Randstad en de Achterhoek. Hij had onder andere lange tijd jacht gemaakt op een berucht lid van de Sicherheitsdienst (SD) in Amsterdam.
Begin september 1944 werd door de Nederlandse regering, die op dat moment in Londen verbleef, de Binnenlandse Strijdkrachten (BS) opgericht. De verschillende verzetsorganisaties in Nederland, die tot dan toe veelal onafhankelijk van elkaar opereerden, werden in theorie in deze nieuwe organisatie ondergebracht. Op 10 oktober 1944 vertrok Wilhelmus Gerardus de Boer in opdracht van de BS met een aantal anderen van deze organisatie naar Vleuten. Daar moesten zij onderduiken en wachten op verdere instructies. Nog diezelfde avond werden zij in Vleuten door de Duitse bezetter gearresteerd.
In eerste instantie werd Wilhelmus Gerardus de Boer in hechtenis gesteld in de gevangenis aan het Wolvenplein in Utrecht. Later werd hij overgebracht naar het pand van de Sicherheitsdienst aan de Euterpestraat in Amsterdam. Tegenwoordig is dit de Gerrit van der Veenstraat. Uiteindelijk belandde hij in het huis van bewaring, gelegen aan het Kleine-Gartmanplantsoen 14 in Amsterdam, dat bekend is geworden onder de naam Weteringschans.
In de vroege ochtend van 26 oktober 1944 kwamen twee Duitse militaire voertuigen bij de Weteringschans aan. Tien gevangenen, onder wie Wilhelmus Gerardus de Boer, moesten in de vrachtwagens plaatsnemen en werden naar Haarlem gebracht. Diezelfde ochtend werden zij in het openbaar door de Duitse bezetter gefusilleerd bij het plantsoen aan de Westergracht. Het was een represaille voor de moord op de Nederlandse politieagent Fake Krist, die lid was van de N.S.B. en medewerker van de Duitse Sicherheitsdienst. Die aanslag had een dag eerder plaatsgevonden, op 25 oktober 1944, in de buurt van hetzelfde plantsoen aan de Westergracht in Haarlem.
Monument van de ‘Treurende Vrouw’ in het plantsoen aan de Westergracht in Haarlem, met rondom tien stenen met daarop de naam van de gefusilleerden, waaronder die van Wilhelmus Gerardus de Boer. Bron: Jan van den Berg.
Placeholder image
Monument van de ‘Treurende Vrouw’ in het plantsoen aan de Westergracht in Haarlem, met rondom tien stenen met daarop de naam van de gefusilleerden, waaronder die van Wilhelmus Gerardus de Boer. Bron: Jan van den Berg.
 
Placeholder image
Steen met daarop de naam van Wilhelmus Gerardus de Boer. Bron: Jan van den Berg.
Verschillende mensen zagen hoe de tien gevangenen werden gefusilleerd. Onder hen bevond zich de ambtenaar Johan van Rijn. Vanuit zijn slaapkamerraam zag hij de twee vrachtwagens stoppen bij het plantsoen. Even later sprongen vijf mannen, aan elkaar geboeid, uit een der vrachtwagens en werden tegen het hekje bij het plantsoen opgesteld. “Een mitrailleursalvo klonk en de vijf mannen waren dood. Direct daarop ondergingen vijf anderen hetzelfde lot”, aldus deze ambtenaar.
In 1949 werd in dit plantsoen het standbeeld van de ‘Treurende Vrouw’ onthuld. Rondom het standbeeld liggen tien stenen met op elk de naam van een der gefusilleerden. Op een van deze stenen staat ook de naam van Wilhelmus Gerardus de Boer. Elk jaar vindt er bij dit monument op 4 mei een herdenkingsplechtigheid plaats.
Placeholder image
Document van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) ter herdenking van de verzetsman Wilhelmus Gerardus de Boer. Bron: Internet.
Het stoffelijk overschot van Wilhelmus Gerardus de Boer werd op de dag van de liquidatie, 26 oktober 1944, gecremeerd in het crematorium Velsen in Driehuis. Zijn as werd verstrooid in het Vijverpark, op een plek die door het personeel van het crematorium, de dag volgend op Dolle Dinsdag, bewust gereserveerd werd voor verzetsmensen. Dit bleef men doen totdat het crematorium geen gas meer geleverd kreeg door de bezetter. Na de oorlog werd met de beste wil van de wereld de as van Wilhelmus Gerardus de Boer en dat van tachtig anderen verzameld en overgedragen aan het bestuur, van wat later zou worden Eerebegraafplaats in Bloemendaal. Hun as kwam uiteindelijk terecht in een ruim twee meter hoge urn, welke op 10 mei 1947 geplaatst werd op de Eerebegraafplaats.

Wilhelmus Gerardus de Boer bereikte de leeftijd van 26 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Amsterdam
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Amsterdam
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Ministerie van Defensie, Bureau RIOP te Kerkrade
  • Boek van Heere en Vernooij: De Eerebegraafplaats te Bloemendaal
  • Wim Lormans
  • Maartje Hulspas
  • Internet genealogische sites
originele versie d.d. oktober 2018 terug naar boven



Jacob Braaksma

Jacob Braaksma werd op 2 maart 1866 in Oosternijkerk geboren. Zijn ouders waren: Gerben Gooitzens Braaksma, geboren op 27 mei 1838 in Oosternijkerk en Klaaske Jacobs de Wilde, geboren op 12 mei 1827 in Nes. Zij waren op 4 mei 1861 gehuwd in Oostdongeradeel. Het echtpaar kreeg vijf kinderen. Gerben Gooitzens Braaksma, de vader, was arbeider van beroep. Het gezin heeft op verschillende adressen gewoond in Westdongeradeel en Oostdongeradeel. Klaaske Jacobs de Wilde, de moeder, overleed op 1 april 1899 in Oosternijkerk. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Jacob Braaksma, de zoon, trouwde op 8 juni 1889 in Oostdongeradeel met Elisabeth Holwerda, geboren op 29 juni 1865 in Oostdongeradeel. Het echtpaar kreeg twee kinderen die in Oostdongeradeel het levenslicht zagen. Naast deze vreugdevolle gebeurtenissen was er ook verdriet want twee andere kinderen kwamen levenloos op de wereld.
Op 26 september 1916 liet het gezin zich inschrijven in het bevolkingsregister van Brunssum. Jacob Braaksma, de vader, was mijnwerker. Het gezin woonde niet lang in Brunssum, want op 9 juli 1917 verhuisden zij naar Hoensbroek. Op 13 juli 1922 keerden zij weer terug naar Brunssum. Dit keer verbleef men ongeveer zes jaar in deze gemeente.
Elisabeth Braaksma-Holwerda kwam op 16 juni 1925 in Eindhoven te overlijden in het psychiatrisch ziekenhuis. Op 29 december 1927 trad Jacob Braaksma in Heerlen in het huwelijk met Fintje Keuning, geboren op 26 juni 1866 in Drachten. Uit het tweede huwelijk van Jacob Braaksma werden geen kinderen geboren.
Het gezin verhuisde op 2 januari 1928 van Brunssum naar Heerlen. Jacob Braaksma werkte in die tijd als stutter op de Staatsmijn Hendrik te Brunssum. Jacob Braaksma en Fintje Keuning gingen op zeker moment van elkaar scheiden.
Jacob Braaksma vestigde zich op 25 november 1929 als alleenstaande in Hoensbroek. In eerste instantie woonde hij op Premiestraat 15, later verhuisde hij naar Heisterberg 49. Laatstgenoemd adres was een houten woonhuis.

Placeholder image
Woning-winkel van Jacob Braaksma aan de Heisterberg in Hoensbroek. Foto uit 1946. In die tijd werd dit pand ook wel ’t kapotte huis genoemd.
Bron: Oud-Gebrook en de Gebreuker, 1985.
Toen hij naar Hoensbroek kwam was hij nog steeds mijnwerker, maar sinds 1 januari 1931 was hij werkloos. Vanaf 21 november 1939 gebruikte hij een deel van zijn woning als winkel en verkocht hij snoep, zeep en schoonmaakartikelen. Op zijn fiets verkocht hij zijn producten ook aan huis. Hij werd in Hoensbroek bekend als het ‘zeepmannetje’.
Op zondagochtend 10 september 1944, slechts acht dagen vóór de bevrijding van Hoensbroek, zagen getuigen, waaronder iemand van de luchtbeschermingsdienst van de Staatsmijn Emma in Treebeek, een vliegtuig schijnbaar doelloos boven de stad rondcirkelen. Volgens de persoon van de luchtbeschermingsdienst moet het een Geallieerde jachtbommenwerper zijn geweest. Het leek de man niet nodig om alarm te slaan. Ook andere mensen op straat stonden geïnteresseerd naar boven te kijken. Plotseling liet het vliegtuig een bom vallen. Deze kwam neer op de Heisterberg en veroorzaakte schade aan verschillende woonhuizen. Ook de nabij gelegen bioscoop Cinema Palace en de Rooms-Katholieke noodkerk van de Sint Jozefparochie, welke gevestigd was in enkele klaslokalen van de Sint Jozefschool, liepen schade op. De woning annex winkel van Jacob Braaksma werd totaal verwoest. Op het moment van de inslag zou hij voor zijn deur hebben gestaan. Bij de explosie kwamen hij om het leven.
Placeholder image
Overlijdensakte van Jacob Braaksma.
Bron: Gemeentearchief Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen
De 9-jarige André Jongen heeft dit drama van nabij meegemaakt. Hij woonde met zijn ouders op de Kastanjelaan in Hoensbroek en op de bewuste zondag zat hij met zijn vader in de noodkerk van de Sint Jozefparochie. Zij luisterden naar de preek, toen zij het geluid van een vliegtuig hoorden. Vervolgens was er een oorverdovende knal en de ramen van de noodkerk sprongen deels uit de sponningen. Later bleek dat er een bom was neergekomen, precies op het houten gebouwtje dat bij André bekend was als snoepwinkel.
Er was nog iemand die getuige was van het signaleren van het vliegtuig en het vallen van de bom. De jongeman Smits was met zijn neef op weg naar diens ouderlijk huis. Zij kwamen van de mis in de grote Sint Jan. De tocht liep via de Hoofdstraat en de Amstenraderweg naar de Spoordijkstraat. Toen zij in de Spoordijkstraat aangekomen waren hoorden zij het geluid van een vliegtuig en kort daarna een ander geluid, namelijk het fluiten van een vallende bom. Zij zochten bescherming achter een muur, op de hoek van de Spoordijkstraat met de Christiaan Quixstraat. Er volgde een zware explosie en later hoorden zij van anderen dat de bom op de Heisterberg was terecht gekomen. Bij de explosie zou ook de Cinema Palace beschadigd zijn.
Op circa vijftig meter afstand van de woning annex winkel van Jacob Braaksma, op de hoek Heisterberg en Burgemeester van der Kroonstraat, stond het voormalige politiebureau, dat in de jaren van de bezetting gebruikt werd als kantoor voor de plaatselijke Ortsgruppe van de NSDAP, oftewel de Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei. Wellicht was dit het doelwit van de bemanning van het vliegtuig.

Het is niet bekend waar Jacob Braaksma werd begraven. Hij bereikte de leeftijd van 78 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Brunssum
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Streekarchief Noordoost Friesland
  • Smits, oud-stoottroeper, te Hoensbroek
  • André Jongen te Heerlen
  • Internet genealogische sites
  • terug naar boven
originele versie d.d. oktober 2018



Johannes van den Broek

Johannes van den Broek kwam op 8 november 1921 in Hoensbroek op de wereld. Zijn ouders waren: Antonius van den Broek, geboren op 14 februari 1881 in Wijchen en Grada van Gent, geboren op 10 mei 1890 in Bergharen. Zij waren op 1 oktober 1914 in Bergharen getrouwd en kregen zeven kinderen. Op 8 juli 1919 lieten de ouders zich met hun drie oudste kinderen, komend van Wijchen, inschrijven in het bevolkingsregister van Hoensbroek. Hier zagen de vier laatste kinderen het levenslicht, onder wie Johannes. Antonius van den Broek was mijnwerker van beroep en werkte als houwer in een van de steenkolenmijnen. Het gezin woonde in Hoensbroek op diverse adressen en als laatste op Langstraat 16. Op 21 oktober 1930 verhuisde men naar Amstenrade om daar te gaan wonen op Poststraat 8. De leden van het gezin bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Placeholder image
Lijst met namen van Holländischen Arbeitsverweigerer, met o.a. Johannes van den Broek, die dwangarbeid moesten verrichten bij Mannesmannröhren-Werke, Abteilung Grossenbaum. Bron: Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag.
Johannes van den Broek, de zoon, was ongehuwd en liet zich op 3 juni 1938, komend van Merkelbeek, in het bevolkingsregister van Hoensbroek inschrijven. Hier woonde hij op Burgemeester Slanghenstraat 48. Hij was landbouwknecht van beroep. Op 21 maart 1939 verhuisde hij naar Schinnen waar hij ging wonen en werken op Hoeve Krekelberg aan de Altaarstraat. Tegenwoordig maakt deze hoeve deel uit van een natuurkampeerterrein.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Johannes van den Broek door de Duitse bezetter gearresteerd wegens Arbeitsverweigerung. Na zijn arrestatie kwam hij terecht in Kamp Amersfoort, een Polizeiliches Durchgangslager. Op 5 april 1944 werd Johannes vandaar op transport gesteld naar Duisburg, Noordrijn-Westfalen. Hij werd via het Arbeitsamt als dwangarbeider tewerkgesteld bij de Stahl- und Walzwerke Grossenbaum AG in Grossenbaum, dat een stadsdeel van Duisburg is. Dit bedrijf behoorde tot het Mannesmann-Konzern. Johannes overleefde de oorlog.
In de eerste helft van 1952 trad Johannes van den Broek in het Franse Marseille als rekruut in het Vreemdelingenlegioen. Hij kwam uiteindelijk terecht bij het 2ème Bataillon, 3ème Régiment Étranger d'Infanterie, met de rang van soldaat 2e Klasse. Door het Vreemdelingenlegioen in te gaan verloor Johannes het Nederlanderschap.
Het 3ème Régiment Étranger d'Infanterie was van 1946 tot 1955 actief in Indochina, de geografische term voor dat deel van Azië, dat bestaat uit het huidige Vietnam, Laos en Cambodja. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was deze Franse kolonie in de handen gevallen van Japan. Na het einde van de oorlog wilden de Fransen weer de controle hebben over dit gebied. Maar zij werden geconfronteerd met rebellen, de zogenoemde Viet Minh, die naar onafhankelijkheid streefden. Het regiment waarin Johannes van den Broek diende, was een van de Franse eenheden die naar Indochina waren gezonden om de orde te herstellen.
Placeholder image
Landkaart van Azië. De rode stip is globaal de locatie in Vietnam, waar Johannes van den Broek gesneuveld is. Bron: Jan van den Berg.
Op 21 april 1954 sneuvelde Johannes van den Broek in Vietnam tijdens gevechten in de omgeving van Ban Yen Nhan, een dorp op ongeveer 27 kilometer ten oosten van Hanoi.
In Fréjus in Zuid-Frankrijk ontstond in de jaren 80-90 een nieuwe begraafplaats. Een deel van de militairen en burgers, die in Vietnam hun leven hadden verloren en daar waren begraven, werden naar deze nieuwe begraafplaats in Frankrijk overgebracht en vonden hier hun definitieve rustplaats. In het midden van de begraafplaats staat een herinneringsmuur met daarop de namen van hen die hun definitieve rustplaats in Vietnam hebben of die begraven zijn in de woonplaats van herkomst. Op deze muur komt ook de naam voor van Johannes van den Broek voor. Het is niet bekend waar hij begraven ligt, in Vietnam of in Frankrijk.

Johannes van den Broek bereikte de leeftijd van 32 jaar.




Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Regionaal Historisch Centrum RHCL te Maastricht
  • Le Memorial des guerres en Indochine te Fréjus
  • Internet site kwaak99.demon.nl
  • Internet genealogische sites
originele versie d.d. oktober 2018 terug naar boven


Frans Jozef Brouns

Frans Jozef Brouns kwam op 1 mei 1913 in Kerkrade op de wereld. Zijn ouders waren: Paulus Brouns, geboren op 17 oktober 1892 in Kerkrade en Maria Catharina Habets, geboren op 24 januari 1889 in Wittem. Zij waren op 23 juni 1911 in Kerkrade getrouwd. Behalve Frans Jozef kreeg het echtpaar nog vijf andere kinderen. De eerste drie kinderen, onder wie Frans Jozef, zagen in Kerkrade het levenslicht. Het vierde kwam in Eygelshoven op de wereld en de laatste twee in Heerlen. Paulus Brouns, de vader, was mijnwerker van beroep. Op 15 oktober 1928 werd in Maastricht het huwelijk van Paulus Brouns en Maria Catharina Habets ontbonden bij vonnis van het Arrondisementsrechtbank. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Frans Jozef Brouns, de zoon, had zes jaar lagere school doorlopen. Wegens het kostwinnerschap ontving hij in 1934 vrijstelling voor de Gewone Dienstplicht. In 1928 was het huwelijk van zijn ouders ontbonden en als oudste zoon moest hij de kost verdienen voor het gezin Brouns.
Op 17 februari 1939 trouwde Frans Jozef Brouns in Brunssum met Sjoukje Rozema, geboren op 22 mei 1920 in Emmen en woonachtig in Brunssum. Een maand later, op 2 maart 1939, liet het stel zich inschrijven in het bevolkingsregister van Hoensbroek. Het echtpaar kreeg drie kinderen, die allen in Hoensbroek werden geboren. Net als zijn vader was Frans Jozef Brouns mijnwerker van beroep. Hij werkte eerst als sleper en later als hulphouwer op de mijn Oranje-Nassau III in Heerlerheide en later op de mijn Oranje-Nassau IV in Heksenberg. Het gezin woonde in Hoensbroek op Prins Hendrikstraat 18.
Frans Jozef Brouns moest op 11 april 1939 alsnog zijn dienstplicht vervullen. Als soldaat overleefde hij de Duitse inval in Nederland in mei 1940 en op 25 mei 1940 ging hij met Groot Verlof.

Na de bevrijding van Zuid-Limburg, in september 1944, meldde Frans Jozef Brouns zich als oorlogsvrijwilliger aan bij de Bewakingstroepen Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.), waar hij op 1 november 1944 officieel in dienst kwam. Op 11 februari 1945 meldde hij zich aan bij 6e Regiment Infanterie (6 R.I.) dat in oprichting was. Dit regiment werd op 16 april 1945 in Sittard officieel opgericht.
Placeholder image
Bericht van het verkeersongeval in de krant. Het ongeval heeft plaatsgevonden op de Heerlenerweg, die in het verlengde licht van de Leyenbroekerweg. Bron: Limburgs Dagblad 11 april 1945.
Placeholder image
Overlijdensadvertentie van Frans Jozef Brouns. Bron: Limburgs Dagblad 13 april 1945
Op 10 april 1945 vond in de omgeving van Sittard een ernstig verkeersongeval plaats waarbij twee Nederlandse soldaten hun leven lieten. Een van hen was Frans Jozef Brouns, de ander was Wilhelmus Johannes Thomas Leblanc (zie zijn verhaal). Uit het procesverbaal en rapporten, opgemaakt door de gemeentepolitie van Sittard, het Amerikaanse leger, de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten en een arts, valt op te maken dat het ongeval zich heeft voorgedaan ter hoogte van de autogarage van Matraij en wel nabij het punt waar de Heerlenerweg en Oude-Heerlenerweg in een flauwe bocht samen kwamen. Omstreeks 02.00 uur werd de politie van Sittard van het ongeval in kennis gesteld en begaf zich terstond naar de plek des onheils, na eerst een arts en geestelijke gewaarschuwd te hebben. Ter plaatse trof men de dode lichamen aan van de twee Nederlandse soldaten in uniform. Hun lichamen lagen op en langs de rijweg, op circa vijf meter afstand van elkaar. Dwars over de rijweg lag een totaal vernielde motor. In de berm, aan de overzijde van de weg, lag een omgeslagen Amerikaanse legervrachtwagen van 2½ ton, die toebehoorde aan het 428th Q.M. Truck Company. De neus van de vrachtwagen wees in de richting van Sittard. Van de bestuurder(s) van de vrachtwagen was geen spoor te bekennen. Op de rijweg ontdekte men vier tot vijf meter lange remsporen die afkomstig waren van de motor en de vrachtwagen. Aan de linkerzijde van de legervrachtwagen, onderaan de motorkap, vond men sporen van het ongeluk. De arts constateerde dat de Nederlandse soldaten ruim een uur geleden waren gestorven. Het ongeval moet zich rond 00.30 uur hebben afgespeeld en de slachtoffers moesten op slag dood zijn geweest. Beiden hadden een schedelbasisbreuk opgelopen.

Aan de hand van deze gegevens constateerde de politie, dat de twee Nederlandse soldaten, rijdend op de motor, in botsing waren gekomen met de Amerikaanse legervrachtwagen. Nog tijdens het onderzoek ter plaatse stopte aldaar een voertuig van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. De bestuurder deelde mee dat hij tussen Amstenrade en Hoensbroek twee negersoldaten van het Amerikaanse leger op hun verzoek in het voertuig had laten plaatsnemen. De soldaten, Private Coleman P. Jeter van de 428th Q.M. Truck Company en Private Clifford Mathis van de 432th Q.M. Truck Company, hadden verklaard dat zij niet wisten waarheen zij moesten, hetgeen hem zeer vreemd voorkwam.
Daar de politie vermoedde dat deze soldaten wel eens de aanrijding konden hebben veroorzaakt, hebben zij de mannen overgebracht naar Sittard en overgegeven aan een officier van het Amerikaanse leger. De betreffende officier, een majoor van het Rest Center in Sittard, vermeldde in zijn rapport dat de twee Amerikaanse soldaten naar alcohol roken en dat Clifford Mathis tekenen van dronkenschap vertoonde. Na een verhoor door de officier hebben de politiemensen, op verzoek van de officier, de twee soldaten aan het bureau van politie in Sittard in arrest gesteld, zulks tot het instellen van een nader onderzoek door de Amerikaanse Militaire Politie (M.P.).
De Amerikaanse officier is in de vroege ochtend zelf op de plaats van het ongeval gaan kijken en vond enkele kledingstukken van de Amerikaans soldaten, alsmede de identificatiekaart van Coleman P. Jeter.
Uit het proces-verbaal en rapporten komt verder naar voren, dat de Amerikaanse soldaten, die dronken waren, vermoedelijk met de legervrachtwagen de bocht links hebben genomen en daardoor in botsing zijn gekomen met de uit tegenovergestelde richting komende Nederlandse soldaten op de motor. Ook was hun tocht met de legervrachtwagen niet geautoriseerd.
Placeholder image
Grafsteen van Frans Jozef Brouns op de Gemeentelijke Begraafplaats Nieuw Lotbroek in Hoensbroek. Bron: Jan van den Berg
Om 08.00 uur, op dezelfde dag, werden de twee Amerikaanse soldaten door de Amerikaanse M.P. opgehaald van het bureau van politie in Sittard. Maar in de loop van de dag zijn zij weer vrijgelaten en kregen zij de opdracht zich te melden bij hun eenheden. Het is verder niet bekend wat er van hen is geworden.
De lichamen van de twee Nederlandse soldaten werden door de arts middels een ambulance van het Nederlandse Rode Kruis naar het ziekenhuis in Sittard gebracht.
Op 14 april 1945 vond om 10.30 uur in de parochiekerk van Onze Lieve Vrouwe Boodschap, Hoensbroek-Station, de plechtige uitvaartdienst plaats van Frans Jozef Brouns. Hij ligt begraven op de tegenwoordige Gemeentelijke Begraafplaats Nieuw Lotbroek in Hoensbroek.
Op zondagmorgen, 31 augustus 1952, vonden in de raadszaal van het gemeentehuis van Hoensbroek twee plechtigheden plaats. Allereerst reikte de loco-burgemeester, wethouder Boshouwers, namens de minister van oorlog, oorkonden uit aan de nabestaanden van een zestiental inwoners van Hoensbroek, die bij het binnenlands verzet en in Indonesië gesneuveld zijn, waaronder Frans Jozef Brouns. Even later werd aan 48 oud-militairen, ingezetenen van deze gemeente, het ereteken van orde en vrede uitgereikt. De harmonie Sint Caecilia vertolkte hierna nog de hulde van de bevolking door voor het bordes van het gemeentehuis het Wilhelmus en het Limburgs Volkslied ten gehore te brengen.

Frans Jozef Brouns bereikte de leeftijd van 32 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Kerkrade
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Ministerie van Defensie, Bureau RIOP te Kerkrade
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Limburgs Dagblad d.d. 11 april 1945, 13 april 1945, 17 april 1945, 1 september 1952
  • Internet genealogische sites
originele versie d.d. oktober 2018 terug naar boven


Heinz Leopold Peter Paul Bruders

Heinz Leopold Peter Paul Bruders kwam op 25 maart 1924 in Hoensbroek op de wereld. Zijn ouders waren in Aken, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, geboren: Heinrich Joseph Maria Bruders, op 25 maart 1899 en Wilhelmina Maria Katharina Willems, op 4 juni 1901. Zij waren op 18 september 1922 in Aken gehuwd. Het echtpaar kreeg, voor zover bekend, twee kinderen. Op 6 december 1923 liet het gezin zich, komend van Aken, in het bevolkingsregister van Hoensbroek inschrijven. Heinrich Joseph Maria Bruders was koopman van beroep. Het gezin woonde in Hoensbroek op Esschenweg 2. Na een verblijf van circa drie jaar in Hoensbroek keerde het gezin in 1926 naar Duitsland terug, waarschijnlijk Aken. Omdat men zich niet had laten uitschrijven bij de gemeente werden zij na enige tijd ambtshalve uit het bevolkingsregister van Hoensbroek verwijderd. De gezinsleden bezaten de Duitse nationaliteit.
Placeholder image
Gegevens van Heinz Leopold Peter Paul Bruders. Let op de verkeerd geschreven naam van Hoensbroek. In de documenten bij diverse Duitse instanties is de naam van deze gemeente foutief vermeld. Bron: Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel.

Heinz Leopold Peter Paul Bruders, de zoon, kwam tijdens de Tweede Wereldoorlog in het Duitse leger terecht waar hij zijn militaire basisopleiding kreeg in de Infanterie-Nachrichten-Ersatz-Kompanie 254. Het was gelegerd in Düsseldorf, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Wanneer hij bij deze eenheid kwam kon niet meer worden achterhaald. Uiteindelijk maakte Heinz deel uit van de 1. Kompanie, I. Bataillon, Grenadier-Regiment 424, 126. Infanterie-Division. Hij zou opklimmen tot de rang van Leutnant.
De divisie was vanaf juni 1941 ingezet in operatie Barbarossa, de Duitse aanval op Rusland. Het opereerde in het noordelijke deel van het oostfront, wist Leningrad te bereiken, waar zij vervolgens twee jaar lang in gevechten verwikkeld raakte om de stad. Op 14 januari 1944 was het Sovjetleger met een groot offensief gestart in de richting van de Baltische staten Estland, Letland en Litouwen. In de daarop volgende tijd werd het Duitse leger teruggedrongen.
Placeholder image
Landkaart van Europa. De rode stip is globaal de locatie in Rusland, waar HJeinz Leopold Peter Paul Bruders gesneuveld is. Bron: Jan van den Berg.
Vanaf februari tot juli 1944 vocht de divisie ten noorden van Pleskau (Pskov), in Rusland, een defensieve strijd vanuit de Panther-Stellung. Met de bouw van deze verdedigingslinie was men in 1943 begonnen, op bevel van Hitler. De linie begon in het noorden bij de Oostzee en liep naar het zuiden langs de rivier de Narva; de westoever van het Peipusmeer (Peipsi järv); de rivier de Velikay (Velikaya), waar de stad Pleskau aan ligt en vervolgens verder naar het zuiden, tot aan de Zwarte Zee.
Op 1 juni 1944, in de strijd om de Panther-Stellung, sneuvelde Heinz Leopold Peter Paul Bruders ten zuiden van Pleskau. Volgens gegevens van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge werd hij begraven in Konetschek (Konyochek), in Rusland. Bij verder onderzoek kwam de volgende graflocatie naar boven: het terrein van het landgoed Diktatura/Konski, aan de linkeroever van de rivier de Velikay en circa vier kilometer stroomafwaarts van Pleskau. Hier hadden strijdmakkers een kerkhof voor de 126. Infanterie-Division ingericht. De Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge is tot op heden niet in staat geweest om het stoffelijk overschot van Heinz Bruders over te brengen naar een van haar begraafplaatsen.

Heinz Leopold Peter Paul Bruders bereikte de leeftijd van 20 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
  • terug naar boven
originele versie d.d. oktober 2018


Jean Marie Burgers

Jean Marie Burgers is geboren op 3 december 1920 in Nijmegen. Zijn ouders waren: Jan Bernard Marie Burgers, geboren op 7 juni 1888 in Hernen-Bergharen en Maria Johanna Anna Ritzen, geboren op 5 maart 1895 in Maastricht. Zij waren op 10 januari 1918 in Nijmegen getrouwd. Het echtpaar kreeg twee kinderen, die in Nijmegen op de wereld kwamen. Op 17 juni 1921 liet het gezin zich, komend van Nijmegen, in het bevolkingsregister van Hoensbroek inschrijven. Jan Bernard Marie Burgers, de vader, was elektromonteur van beroep. Het gezin woonde in Hoensbroek op Heisterberg 5. In de periode van 26 februari 1923 tot 3 augustus 1925 heeft het gezin in Heerlen gewoond, maar daarna keerde men weer naar Hoensbroek terug. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde het gezin op Kouvenderstraat 139 in Hoensbroek. De leden van het gezin bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Placeholder image
Jean Marie Burgers.
Bron: Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag.
Jean Marie Burgers, de zoon, had zeven jaar lagere school doorlopen, gevolgd door twee jaar avondtekenschool en een cursus filmtechniek. Na zijn opleiding ging hij werken als filmoperateur in het Royal Theater op Nieuwstraat 78 in Hoensbroek, dat in die tijd eigendom was van de gebroeders Moonen. Daarnaast werkte hij nog als fotograaf. Hij was ongehuwd en woonde bij zijn ouders op Kouvenderstraat 139 in Hoensbroek.
Op 8 januari 1940 werd hij als Gewoon Dienstplichtige ingelijfd bij het 1e Regiment Luchtdoelartillerie. In deze eenheid diende hij als richter van een 20 mm kanon van de luchtdoelartillerie. Op 10 mei 1940, de dag van de Duitse inval in Nederland, kwam hij in krijgsgevangenschap terecht. Korte tijd later, op 23 mei 1940, kwam hij weer vrij en in juni 1940 ging hij met Groot Verlof.
Na de bevrijding van Zuid-Limburg, in september 1944, meldde hij zich vrijwillig aan bij de Bewakingstroepen Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (B.S.), waar hij op 17 november 1944 officieel in dienst trad.
Op 21 maart 1945 werd in Mönchengladbach, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, het 2e Bataljon, 13e Regiment Infanterie opgericht. Jean Marie Burgers maakte vanaf het eerste begin deel uit van deze eenheid. Hij diende in de 1e Compagnie als PIAT-schutter (1-II-13 R.I.). De PIAT was een Brits anti-tankwapen. Het bataljon bestond uit oorlogsvrijwilligers en haar officieren en manschappen kwamen voor het merendeel uit Limburg. Om deze reden werd het vaak aangeduid als het ‘Limburgs Bataljon’. Haar embleem bestond uit een eikenblad. Het maakte deel uit van het Amerikaanse 9e Leger en werd voor bewakings- en bezettingstaken ingezet in Mönchengladbach en omgeving. Na de Duitse capitulatie, op 8 mei 1945, bleef het bataljon in Duitsland haar opgedragen taak voortzetten.
Op 15 augustus 1945 was de capitulatie van Japan een feit en twee dagen later kwam de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring. De Nederlandse regering had een troepenmacht ter plaatse nodig om haar gezag te herstellen. Op 15 september 1945 vertrok het 2e Bataljon, 13e Regiment Infanterie vanuit Duitsland naar Aldershot, in het graafschap Hampshire, aan de zuidkust van Engeland. Daar werd het door de Britten uitgerust en opgeleid voor de strijd in Nederlands-Indië. Op 12 oktober 1945 vertrok het bataljon vanuit Liverpool met de SS Alcantara, een oceanliner, die door de Britten was omgebouwd tot troepentransportschip, naar de oost.
Placeholder image
Bidprentje van Jean Marie Burgers.
Bron: Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag.
Na de Japanse capitulatie was Nederlands-Indië onder Brits militair gezag gekomen. De voornaamste taken voor de Britten was: herstellen van de orde, het ontwapenen en afvoeren van Japanse militairen en de evacuatie van burgers en soldaten die nog in de interneringskampen zaten. Op een later tijdstip zouden Nederlandse troepen hun taken moeten overnemen. Maar toen de Britse troepen eind september 1945 op Java en Sumatra aan land waren gegaan, werden zij geconfronteerd met sterke tegenstand van het leger van de nieuwe Indonesische Republiek. Omdat de Britten hun handen vol hadden aan Brits-Indië en Maleisië, en daarom in Indonesië over te weinig troepen beschikten, besloten zij alleen de grote steden Batavia, Bandung, Semarang, Surabaja, Medan, Padang en Palembang te bezetten.
De Britten vreesden dat als Nederlandse troepen aan land zouden gaan, het leger van de Indonesische Republiek hun woede zouden koelen op de Britse troepen en erger nog, de geïnterneerden in de kampen. Daarom werd er vanaf 2 november 1945 een landingsverbod op Java en Sumatra ingesteld voor Nederlandse troepen. Zij die reeds onderweg waren naar Nederlands-Indië moesten daarom tot nader order uitwijken naar Malakka, een Britse kolonie.
Na een reis van ruim een maand kwam de SS Alcantara op 11 november 1945 aan in de haven van Port Swettenham op Malakka. Vervolgens werden de troepen per trein overgebracht naar Serdang, een plaatsje bestaande uit enkele kleine kampongs met een landbouwschool als centrum. In Malakka maakte men van de nood een deugd. Hier konden de Nederlanders acclimatiseren aan de hoge temperatuur en hoge vochtigheidsgraad. Ook werden zij er opgeleid voor het voeren van een oorlog in de jungle.
In februari 1946 werd door de Britten het landingsverbod voor Nederlandse troepen op Java en Sumatra opgeheven. Op 28 februari 1946 vertrok het 2e Bataljon, 13e Regiment Infanterie, naar Nederlands-Indië, waar het op 9 maart 1946 in Semarang, Java, aan land ging. Het bataljon maakte deel uit van de T-Brigade, ook wel de ‘Tiger’ Brigade genoemd. De brigade maakte weer deel uit van de B-Divisie. Na aan land te zijn gegaan nam het bataljon ten zuiden en oosten van Semarang verdedigende stellingen in, die zij van de Britten hadden overgenomen. In de daaropvolgende maanden vonden er talrijke schietpartijen plaats aan de rand van de door de Nederlanders bezette stad.
Op 11 maart 1946, om 20.00 uur, twee dagen na de landing, kwam Jean Marie Burgers bij Semarang door eigen vuur om het leven. Er was sprake van een noodlottig ongeval. De precieze toedracht is niet bekend. Een dag later werd hij begraven. Zijn graf is te vinden op het Nederlands Ereveld Candi, Semarang, Java, Indonesië, vak C, graf 239.
Op 28 maart 1946 vond om 09.00 uur, in de Sint Jan Evangelist in Hoensbroek, de plechtige uitvaardienst plaats van Jean Marie Burgers. Het 13e Regiment Infanterie had een afvaardiging gestuurd, met onder meer aalmoezenier Pater Amon Besseling.
Placeholder image
Graf van Jean Marie Burgers op het Nederlands Ereveld Candi, Semarang, Java, Indonesië. Deze foto is kort na zijn dood gemaakt.
Bron: Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag.
Placeholder image
Graf van Jean Marie Burgers op het Nederlands Ereveld Candi, Semarang, Java, Indonesië.
Bron: Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag.
Op zondagmorgen, 31 augustus 1952, vonden in de raadszaal van het gemeentehuis van Hoensbroek twee plechtigheden plaats. Allereerst reikte de loco-burgemeester, wethouder Boshouwers, namens de minister van oorlog, oorkonden uit aan de nabestaanden van een zestiental inwoners van Hoensbroek. die bij het binnenlands verzet en in Indonesië gesneuveld zijn, onder wie Jean Marie Burgers. Even later werd aan 48 oud-militairen, ingezetenen van deze gemeente, het ereteken van orde en vrede uitgereikt. De harmonie Sint Caecilia vertolkte hierna nog de hulde van de bevolking door voor het bordes van het gemeentehuis het Wilhelmus en het Limburgs Volkslied ten gehore te brengen.

Jean Marie Burgers bereikte de leeftijd van 25 jaar.


Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Ministerie van Defensie, Bureau RIOP te Kerkrade
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Limburgs Dagblad d.d. 28 december 1945, 23 maart 1946, 24 april 1946, 1 september 1952
  • Boek Laatste Bericht, Ereveld van Indië en Nieuw-Guinea, van Jack Kooistra
  • Boek Troepentransport naar Nederlands-Indië 1946-1950, H.A.G.J.P. van Hanswijck de Jonge
  • Internet genealogische sites
originele versie d.d. oktober 2018 terug naar boven


Elbertus Frederikus Busch

Elbertus Frederikus Busch werd geboren op 11 mei 1903 in Apeldoorn. Zijn ouders waren: Georg Friederich Busch, geboren op 21 april 1872 in Breda en Elisabeth Peters, geboren op 16 juli 1869 in Zutphen. Zij waren op 20 september 1893 in Zutphen gehuwd. Het echtpaar kreeg acht kinderen. Georg Friederich Busch, de vader, werkte op het moment van zijn huwelijk als bediende in een boekhandel, later werkte hij als spoorwegbeambte en als kaashandelaar. Op enkele jaren na heeft het gezin altijd in Zutphen gewoond. De leden van het gezin bezaten de Nederlandse nationaliteit.

Elbertus Frederikus Busch, de zoon, verliet het ouderlijk huis om te gaan wonen en werken in Zuid-Limburg. Op 15 april 1931 liet hij zich, komend van Brunssum, in het bevolkingsregister van Hoensbroek inschrijven. Een paar maanden later, op 19 juni 1931, trouwde hij in Hoensbroek met Wilhelmina Maria van den Elzen, geboren op 26 mei 1910 in Sterkrade, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Het echtpaar kreeg twee kinderen die in Hoensbroek op de wereld kwamen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde het gezin in Hoensbroek op Paadweg 1. Elbertus Frederikus Busch, de vader, was in de oorlog tuinman van beroep en werkte bij de Koninklijke Nederlandse Heidemaatschappij, kortweg Heidemij genoemd.
Placeholder image
Overlijdensakte van Elbertus Frederikus Busch. Het adres Hausdeich 60 verwijst naar het concentratiekamp Neuengamme. Bron: Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag.
In de oorlog was Elbertus Frederikus Busch ook actief in het verzet. Hij was lid of sympathisant van de C.P.N., oftewel de Communistische Partij Nederland. Bij de communisten was de bereidheid groot om iets te ondernemen tegen de Duitse bezetter, zo ook in de mijnstreek. In deze regio hielden kleine groepen zich bezig met sabotage, vooral in de steenkolenmijnen. Zo kon men bijvoorbeeld transportbanden laten vastlopen. Anderen waren actief in het verspreiden van kranten en pamfletten, waarin zij de mijnwerkers aanzetten tot het plegen van sabotage, en waarin zij probeerden de onjuistheid van de Duitse militaire berichtgeving aan de kaak te stellen. ‘De Vonk’ was een van de illegale kranten, die door de C.P.N. werd verspreid. Het was een lokale editie van ‘De Waarheid’, die vanaf november 1940 in Limburg te lezen was.

Volgens een document in het archief van het Nederlandse Rode Kruis werd Elbertus Frederikus Busch, wegens deelname aan het verzet, op 4 februari 1941 in Hoensbroek gearresteerd door de Duitse bezetter. Hij werd enkele maanden opgesloten in het Huis van Bewaring en Gevangenis in Maastricht en op 14 juni 1941 liet men hem weer vrij. Intussen had de Sipo (Sicherheits Polizei) een van hun medewerkers naar de mijnstreek gezonden. Dankzij zijn informatie kwam de Sipo op 25 juni 1941, enkele dagen na de Duitse inval in Rusland, opnieuw in actie. Hierbij werden meer dan tien communisten en sympathisanten opgepakt en een van hen was Elbertus Frederikus Busch. Hij kwam weer terecht in het Huis van Bewaring en Gevangenis in Maastricht. Maar na een dag bracht men hem over naar een andere plaats.
Eerst werd hij overgebracht naar een Polizeiliches Durchgangslager bij Schoorl. Later kwam hij terecht in Kamp Amersfoort, eveneens een Polizeiliches Durchgangslager. Vervolgens werd hij vanuit Kamp Amersfoort gedeporteerd naar Neuengamme, een Konzentrationslager, gelegen ten zuidoosten van de Duitse stad Hamburg in de deelstaat Hamburg, waarnaar hij op 19 november 1941 vertrok dan wel aankwam.
Placeholder image
Document met informatie over Elbertus Frederikus Busch.
Bron: Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag.
Na een verblijf van circa anderhalf jaar overleed Elbertus Frederikus Busch op 25 mei 1943, omstreeks 06.00 uur, in het concentratiekamp Neuengamme aan de gevolgen van een longontsteking. Hierbij dient opgemerkt te worden dat men stierf aan het kamp en dat een passende doodsoorzaak veelal verzonnen werd.
In een van de dagrapporten uit het archief van de gemeentepolitie Hoensbroek werd op 2 juni 1943 de volgende notitie gemaakt: “Door de Sicherheitspolizei Maastricht werd medegedeeld, dat Elbertus Frederikus Busch, geboren te Apeldoorn op 11 mei 1903, wonende te Hoensbroek, Paadweg, overleden is aan hartontstoring in in bloedsomloop. Het lichaam is op staatskosten gecremeerd. Een Sterbeurkunde kan tegen betaling van 85 Pfenning worden aangevraagd aan het Standesambt te Neugengamme, Duitsland. Verzocht werd dit mede te delen aan zijn vrouw. Door Schelfaut aan vrouw Busch medegedeeld”. Schelfaut was een politieman.
Op 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) werden in Zuid-Limburg twee verzetsstrijders door de bezetter opgepakt. Nog dezelfde dag werden de twee gefusilleerd op een plek halverwege de Cauberg in Valkenburg. In 1958 werd daar een kapel gebouwd ter herdenking van gevallen Limburgse verzetsmensen. Op de wanden van de kapel zijn hun namen te lezen. Ook de naam van Elbertus Frederikus Busch komt daarop voor.

Elbertus Frederikus Busch bereikte de leeftijd van 40 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Zutphen
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Limburgs Dagblad d.d. 12 juni 1943
  • Bureau Repatrieëring Afdeling Centrale Registratie van het Militair Gezag te Den Haag
  • Boek Het Verborgen Front van A.P.M. Cammaert
  • Internet genealogische sites
  • terug naar boven
originele versie d.d. oktober 2018


Antoon C.

Antoon C. werd in 1924 in Hoensbroek geboren. Het gezin C. bestond uit: vader, moeder en meerdere kinderen. De moeder nam uit haar eerste huwelijk zes kinderen mee. Haar eerste man was in 1919 overleden. Uit haar tweede huwelijk kwamen nog eens vier kinderen voort, onder wie Antoon. De vader van Antoon was mijnwerker van beroep. In de loop van de Tweede Wereldoorlog verhuisde het gezin naar de Hoofdstraat in Hoensbroek. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Placeholder image
Schets van het front in het noord-oosten van Europa. Links van het midden is de plaats Saldus aangegeven. In deze omgeving verloor Antoon C. zijn leven. Rechtsboven is de plaats Narva (Narwa) aangegeven. Links van Narva was de Tannenberg-Stellung, waar de eenheid van Antoon C. opereerde.
Bron: Nederlandse vrijwilligers in Europese krijgsdienst 1940-1945, deel 3, J. Vincx en V. Schotanius.
Antoon C. was ongehuwd en woonde nog bij zijn ouders in de Hoofdstraat in Hoensbroek. Op 22 april 1941 vertrok hij naar de mijn Carolus Magnus in Übach-Palenberg, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen, om daar te gaan werken. Vier dagen later werd om zijn opsporing en aanhouding verzocht, want hij was minderjarig en niet naar huis teruggekeerd. Ongeveer drie maanden later, op 29 juli 1941, meldde Antoon zich bij de gemeentepolitie van Hoensbroek. Hij gaf aan dat hij al die tijd had gewerkt bij een bakker in Essen in Noordrijn-Westfalen.

Antoon C. was een van de Nederlanders die zich aanmeldden voor dienst in het Duitse leger. Zijn militaire basisopleiding ontving hij bij de Ersatz-Kompanie, SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’. Deze eenheid was opgericht kort na het begin van Operatie Barbarossa, de inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Het was bestemd voor het aanvullen van verliezen van het SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’. Na zijn opleiding kwam hij terecht bij het SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’. Wanneer dit gebeurde kon niet meer worden achterhaald.
Eind december 1941 werd de SS-Freiwilligen-Legion ‘Nederland’ ingezet aan het noordelijk deel van het oostfront, in de omgeving van het Russische Leningrad, in de oorlog tegen het Bolsjewisme. Eind 1943 werd het legioen echter ontbonden en de manschappen opgenomen in een nieuwe eenheid: de 4. SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Brigade ‘Nederland’. De twee grootste eenheden van deze brigade waren de regimenten 48 en 49 met de erenamen ‘Generaal Seyffardt’ en ‘De Ruyter’.
Antoon C. sneuvelde op 20 augustus 1944 in de omgeving van Frauenburg, het huidige Saldus in Letland. Hij was Sanitäter bij het II. Bataillon, SS-Freiwilligen-Panzer-Grenadier-Regiment 49 ‘De Ruyter’. Hij was opgeklommen tot de rang van SS-Rottenführer.
Het bijzondere is dat Antoon C. in Frauenburg sneuvelde terwijl zijn eenheid op dat moment strijd leverde aan de Tannenberg-Stellung in Estland, zo’n 400 kilometer ten noordoosten van Frauenburg. Dit kon gebeuren omdat hij kort daarvoor naar een opleiding in Letland was gestuurd. Maar bij aankomst werd hij meteen ingedeeld bij een regiment dat betrokken was bij het doen stoppen van een doorbraak van het Rode Leger tussen de steden Frauenburg en Riga in Letland.
Bij deze strijd werd Antoon C. op 20 augustus 1944 in zijn buik getroffen door een granaatfragment van een infanteriekanon. Hij werd naar de Hauptverbandsplatz van de 2. Kompanie, 552. Sanitäts-Abteilung gebracht dat in of bij Frauenburg gelegerd was. Daar overleed hij korte tijd later aan zijn verwonding. Antoon werd de dag erop begraven op het Duitse oorlogskerkhof in Saldus in Letland.

Antoon C. bereikte de leeftijd van 20 jaar.

Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Deutsche Dienststelle (WASt) te Berlijn
  • Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge te Kassel
  • Internet genealogische sites
  • terug naar boven
originele versie d.d. oktober 2018


Peter Joseph Cillekens

Peter Joseph Cillekens werd op 4 november 1918 in Hoensbroek geboren. Zijn ouders waren: Josephus Hubertus Cillekens, geboren op 27 april 1887 in Heythuysen en Petronella Mill, geboren op 20 maart 1883 in Nieukerk, gelegen in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Zij waren getrouwd op 19 juli 1912 in Krefeld, eveneens in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Het echtpaar kreeg vijf kinderen van wie de eerste twee in Krefeld op de wereld kwamen. Op 15 juni 1916 verhuisde het gezin van Krefeld naar Heerlen. In deze plaats kwam het derde kind op de wereld. Op 23 oktober 1917 liet het gezin zich, komend van Heerlen, in het bevolkingsregister van Hoensbroek inschrijven. Hier werden de laatste twee kinderen geboren, onder wie Peter Joseph. Josephus Hubertus Cillekens, de vader, was timmerman van beroep. Het gezin woonde in de Tweede Wereldoorlog op Spoordijkstraat 48 in Hoensbroek. Alle gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Peter Joseph Cillekens, de zoon, had zeven klassen lagere school doorlopen. Hij was ongehuwd en woonde bij zijn ouders op Spoordijkstraat 48 in Hoensbroek. Hij trad in de voetstappen van zijn vader door timmerman te worden.
Placeholder image
Document met informatie over Peter Joseph Cillekens.
Bron: Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag.
Op 1 januari 1938 werd hij als Buitengewoon Dienstplichtige bij de landmacht ingelijfd. Vanaf 31 maart 1938 maakte hij deel uit van het 13e Regiment Infanterie. Op 24 februari 1939 ging hij met groot verlof om op 11 april 1939 weer terug te keren bij zijn eenheid. Op 1 juni 1940, ná de Duitse inval in Nederland, ging hij wederom met groot verlof. Dit betekent dat hij als soldaat de Duitse inval in mei 1940 meegemaakt heeft en overleefd.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij als timmerman in Krefeld, de stad waar zijn vader enige jaren met zijn gezin had gewoond. Eerst verbleef hij in Krefeld op Admiral Scheerstraße 65, later woonde hij in bij mevrouw Frenzen op Florastraße 53.
Peter Joseph Cillekens verloor zijn leven op 11 januari 1945, omstreeks 15.30 uur, in de Florastraße in Krefeld, bij een luchtaanval, uitgevoerd door de Royal Air Force. Niet minder dan 152 Lancaster-bommenwerpers namen deel aan de aanval welke was gericht op het nabijgelegen spoorwegcomplex in Uerdingen. Bij Peter Joseph Cillekens werd de volgende doodsoorzaak opgegeven: gekneusd en gestikt. Hij werd in eerste instantie begraven op het gemeentelijke kerkhof in Krefeld.
Mevrouw Frenzen had na de dood van Peter Joseph Cillekens diens papieren in bewaring genomen. Josephus Hubertus Cillekens, de vader, bezocht in de herfst van 1945 het graf van zijn zoon in Krefeld. Hij haalde toen ook bij mevrouw Frenzen de papieren van zijn zoon op.
Placeholder image
Grafsteen op het Nederlands Ereveld in Loenen met daarop de naam van Peter Joseph Cillekens.
Bron: Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag.
Gezien het bovenstaande is het vreemd dat het Nederlandse Rode Kruis in de loop van 1945 een onderzoek is begonnen naar Peter Joseph Cillekens die vermist zou zijn. In de documenten staat dat zijn vader hem als vermist persoon had opgegeven. Op 6 september 1945 werd door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Hoensbroek een overlijdensakte opgemaakt, op basis van een ontvangen uittreksel uit het register van overlijden van de gemeente Krefeld in Duitsland. Pas op 24 april 1946 zou de zaak door het Nederlandse Rode Kruis worden afgesloten.
Na de oorlog - wanneer is niet bekend - werd het lichaam van Peter Joseph Cillekens overgebracht van Krefeld naar het Nederlands Ereveld in Loenen bij Apeldoorn. Zijn laatste rustplaats is te vinden in vak A, graf 44.

Peter Joseph Cillekens bereikte de leeftijd van 26 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Ministerie van Defensie, Bureau RIOP te Kerkrade
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Internet genealogische sites
  • terug naar boven
originele versie d.d. oktober 2018


Karel Hendrik Cobben

Karel Hendrik ‘Hein’ Cobben werd geboren op 15 januari 1925 in Hoensbroek. Zijn ouders waren: Mathias Cobben, geboren op 9 april 1891 in Nuth en Maria Elisabeth Viehmann, geboren op 31 mei 1896 in Castrop, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Zij waren op 27 augustus 1920 in Hoensbroek in het huwelijk getreden, maar gingen wonen in Nuth. Op 1 juni 1921 lieten zij zich, komend van Nuth, in het bevolkingsregister van Hoensbroek inschrijven. Het echtpaar kreeg vijf kinderen. De eerste drie kinderen, onder wie Karel Hendrik, kwamen in Hoensbroek op de wereld. Het gezin woonde in Hoensbroek op Vaesrade 13, nabij de grens met Nuth. Men heeft slechts vijf jaar in Hoensbroek gewoond, want op 21 juni 1926 verhuisde men weer naar Nuth, om te gaan wonen op Vaesrade (Provinciale weg) 42, gelegen op korte afstand van de oude woning. Later is men verhuisd naar Vaesrade 41. In Nuth werden de laatste twee kinderen geboren. Mathias Cobben, de vader, was mijnwerker van beroep en werkte als handlanger op de elektrische werkplaats in een van de steenkolenmijnen. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Placeholder image
Karel Hendrik Cobben.
Bron: Onze gevallenen, Stichting Herdenking der Gevallenen van het verzet in Limburg 1940-1945, 1964.
Karel Hendrik Cobben, de zoon, was net als zijn vader mijnwerker van beroep en werkte op de Staatsmijn Emma in Treebeek. Hij was ongehuwd en woonde bij zijn ouders op Vaesrade 41 in Nuth.
Op 16 augustus 1944, omstreeks 17.00 uur, werd Karel Hendrik Cobben op het ouderlijk adres door de Arbeitskontrolldienst (AKD) in arrest gesteld wegens het ontduiken van de Arbeitseinsatz, de verplichte tewerkstelling in Duitsland. Bij zijn arrestatie was de voormalige Groningse bakker L. Hoks betrokken, die onder andere in Heerlen en omstreken als lid van de AKD een groot aantal onderduikers wist op te sporen. In 1947 werd Hoks door de Maastrichtse rechtbank ter dood veroordeeld. Een jaar later werd dit omgezet in twintig jaar gevangenschap. De AKD was een zusterorganisatie van de Sicherheitspolizei (Sipo). Zij moest arbeiders opsporen die niet in Duitsland wilden gaan werken, of die na hun verlof niet naar Duitsland terugkeerden. Karel Hendrik Cobben werd na zijn arrestatie in opdracht van de Sipo Maastricht opgesloten in een cel van het politiebureau van Hoensbroek. Daar zat hij enige dagen.
Placeholder image
Overlijdensakte van Karel Hendrik Cobben.
Bron: Centraal Bureau Genealogie te Den Haag.
Op 21 augustus 1944, om 14.00 uur, arriveerden twee wachtmeesters van de AKD op het politiebureau van Hoensbroek. Geregeld werd dat Karel Hendrik Cobben, samen met zeven andere arrestanten, de volgende dag met de eerste trein overgebracht zou worden naar Kamp Amersfoort, een Polizeiliches Durchgangslager. Tjerk Sijmen Pol en Hendricus van der Velden maakten ook deel van de groep arrestanten (zie hun verhalen).
De volgende dag, om 05.20 uur, werden de acht arrestanten op transport gesteld naar Kamp Amersfoort. Karel Hendrik Cobben kwam via het Arbeitserziehungslager en doorgangskamp Erika bij Ommen op 26 augustus 1944 in Kamp Amersfoort aan. Op 8 september 1944 werd hij vanuit dit kamp gedeporteerd naar Neuengamme, een Konzentrationslager ten zuidoosten van de Duitse stad Hamburg. Op 10 september 1944 kwam hij daar aan.
Karel Hendrik Cobben kwam op 25 december 1944, omstreeks 02.00 uur, als gevolg van een hartverlamming in Neugengamme te overlijden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat men stierf aan het kamp en dat een passende doodsoorzaak veelal werd verzonnen. Het stoffelijk overschot werd gecremeerd.

Karel Hendrik Cobben bereikte de leeftijd van 19 jaar.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Nuth
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Nederlandse Rode Kruis Afdeling Oorlogsnazorg te Den Haag
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Limburgs Dagblad d.d. 21 oktober 1947, 4 november 1947
  • Internet genealogische sites
  • terug naar boven
originele versie d.d. oktober 2018


Hubert Willem Collée

Hubert Willem Collée werd geboren op 12 maart 1932 in Hoensbroek. Zijn ouders waren: Petrus Joannes Martinus Collée, geboren op 11 oktober 1904 in Nederweert en Margareta Getruda Symons, geboren op Wetten, deel uitmakend van de gemeente Kevelaer, het bekende bedevaartsoord in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Zij waren op 1 mei 1930 in Kevelaer getrouwd. Het stel had eerst een pleegdochter. Op 9 juni 1931 lieten zij zich, komend van Heerlen, in het bevolkingsregister van Hoensbroek inschrijven. In deze woonplaats kwamen hun eigen drie kinderen op de wereld, onder wie Hubert. Petrus Joannes Martinus Collée, de vader, werkte als mijnwerker bovengronds op de particuliere mijn Oranje Nassau I in Heerlen. Het gezin heeft in Hoensbroek op diverse adressen gewoond, als laatste op Willemstraat 6. Op 9 mei 1940, één dag vóór de Duitse inval in Nederland, verhuisde het gezin naar Heerlen, waar het ging wonen op Beersdal 168. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Na een bezettingstijd van meer dan vier jaar werd Heerlen op 17 september 1944 door de Amerikanen bevrijd. Voor aanvang van de oorlog ging het vervoer over de weg nog veelal met paard en wagen. Het aantal auto’s was in die tijd nog gering. In de oorlog staakten de fabrieken de productie van auto’s, die specifiek gemaakt werden voor de burgerbevolking. Er werd uitsluitend geproduceerd voor de oorlog. In Nederland werden de auto’s door de Duitse bezetter gevorderd. Enkele burgers, onder wie artsen, alsmede bijvoorbeeld transportbedrijven, mochten weliswaar hun auto behouden, maar werden meer en meer geconfronteerd met benzineschaarste en uiteindelijk was het voor de burgers helemaal niet meer te verkrijgen. Het moet in de oorlogsjaren rustig zijn geweest op straat.
Placeholder image
Overlijdensakte van Hubert Willem Collée. Hier wordt de achternaam met een ‘C’ geschreven.
Bron: Gemeentearchief Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen.
Met de komst van de Geallieerden nam het militair vervoer op de straten en wegen van Heerlen enorm toe. De burgers waren het intensieve militaire verkeer niet gewend en dit leidde tot gevaarlijke situaties, vooral voor kinderen. Het drukke militaire verkeer was aanleiding voor J.H. Martin, de burgemeester van Hoensbroek, om op 21 oktober 1944 de volgende bekendmaking te publiceren: “De Burgemeester van Hoensbroek brengt, op verzoek van de betreffende Amerikaanse Commandant, ter openbare kennis: dat alle ouders in deze gemeente verzocht worden hun kinderen van de straat te houden; deze kinderen lopen wegens het vereiste snelverkeer groot gevaar voor hun leven”. Het is niet bekend of de burgemeester van Heerlen eveneens zo’n oproep heeft gedaan richting de burgers.
Placeholder image
Overlijdensadvertentie van Hubert Willem Collée. Merk op dat de achternaam met een ‘K’ wordt geschreven.
Bron: Veritas.
Ook in dagbladen werd om aandacht gevraagd voor deze situatie. Zo stond er in het dagblad Veritas van 25 oktober 1944 het volgende artikel: “We weten allen, dat het militaire verkeer in dit oorlogsgebied thans voorgaat bij elk burgerlijk rij- en voetgangersverkeer. Maar daarnaast is het ook van belang, dat de weggebruikers, zowel auto- en wagenbestuurders als fietsers steeds en overal goed rechts houden op de rijweg. Want het militaire verkeer, dat vaak snel moet gaan, kan niet telkens opgehouden of belemmerd worden door wagens en auto’s, die aan de verkeerde kant van de weg of straat of vaak ook midden op de rijweg zitten. Ook voor fietsers geldt dezelfde waarschuwing. En voetgangers dienen, waar zulks maar enigszins mogelijk is, helemaal van de rijweg te blijven en zich tot de trottoirs of voetpaden te beperken. De Amerikanen zijn heel inschikkelijk, maar we kunnen op den duur toch niet te veel van hun geduld vergen.”

Ondanks dit soort waarschuwingen vond er op eerste kerstdag, 25 december 1944, om 15.00 uur, in Heerlen een tragisch verkeersongeval plaats. De 12-jarige Hubert Willem Collée werd door een Amerikaans militair voertuig aangereden en verloor daarbij zijn leven. Hij werd in het ouderlijk huis opgebaard. Op 27 december 1944 deed de vader bij de ambtenaar van de burgerlijke stand aangifte van de dood van zijn zoon. De begrafenis vond plaats op 29 december 1944 in de Rectoraatskerk aan de Sittarderweg te Heerlen. Het is niet bekend waar Hubert Willem Collée werd begraven.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Burgerlijke Stand Gemeente Heerlen
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Heerlen
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Archief Gemeente Heerlen
  • Veritas d.d. 25 oktober 1944, 28 december 1944
  • terug naar boven
originele versie d.d. oktober 2018


Hubert Johannes Curfs

Hubert Johannes Curfs werd geboren op 22 maart 1939 in Hoensbroek. Zijn ouders waren: Leonard Hubert Curfs, geboren op 23 mei 1912 in Nuth en Maria Catharina Seijen, geboren op 4 januari 1917 in Hoensbroek. Zij waren op 23 mei 1936 in Nuth getrouwd. Het echtpaar ging in Hoensbroek wonen waar zij vier kinderen kregen, onder wie Hubert Johannes. Leonard Hubert Curfs, de vader, was mijnwerker van beroep en werkte op de particuliere mijn Oranje Nassau III in Heerlerheide. Eerst werkte hij er als sleper, later als hulphouwer en tenslotte als hulpopzichter. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde het gezin op Nassaustraat 41 in Hoensbroek. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Na een bezettingstijd van meer dan vier jaar werd Hoensbroek op 18 september 1944 door de Amerikanen bevrijd. Voor aanvang van de oorlog ging het vervoer over de weg nog veelal met paard en wagen. Het aantal auto’s was in die tijd nog gering. In de oorlog staakten de fabrieken de productie van auto’s, die specifiek gemaakt werden voor de burgerbevolking. Er werd uitsluitend geproduceerd voor de oorlog. In Nederland werden de auto’s door de Duitse bezetter gevorderd. Enkele burgers, onder wie artsen, alsmede bijvoorbeeld transportbedrijven, mochten weliswaar hun auto behouden, maar werden meer en meer geconfronteerd met benzineschaarste en uiteindelijk was het voor burgers helemaal niet meer te verkrijgen. Het moet in de oorlogsjaren rustig zijn geweest op straat.

Met de komst van de Geallieerden nam het militair vervoer op de straten en wegen van Hoensbroek enorm toe. De burgers waren het intensieve militaire verkeer niet gewend en dit leidde tot gevaarlijke situaties, vooral voor kinderen. Het drukke militaire verkeer was aanleiding voor J.H. Martin, de burgemeester van Hoensbroek, om op 21 oktober 1944 de volgende bekendmaking te publiceren: “De Burgemeester van Hoensbroek brengt, op verzoek van de betreffende Amerikaanse Commandant, ter openbare kennis: dat alle ouders in deze gemeente verzocht worden hun kinderen van de straat te houden; deze kinderen lopen wegens het vereiste snelverkeer groot gevaar voor hun leven”.
Placeholder image
Memorandum Gemeentepolitie Hoensbroek over het dodelijke verkeersongeval met Hubert Johannes Curfs.
Bron: Gemeentearchief Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen.
Ook in dagbladen werd om aandacht gevraagd voor deze situatie. Zo stond er in het dagblad Veritas van 25 oktober 1944 het volgende artikel: “We weten allen, dat het militaire verkeer in dit oorlogsgebied thans voorgaat bij elk burgerlijk rij- en voetgangersverkeer. Maar daarnaast is het ook van belang, dat de weggebruikers, zowel auto- en wagenbestuurders als fietsers steeds en overal goed rechts houden op de rijweg. Want het militaire verkeer, dat vaak snel moet gaan, kan niet telkens opgehouden of belemmerd worden door wagens en auto’s, die aan de verkeerde kant van de weg of straat of vaak ook midden op de rijweg zitten. Ook voor fietsers geldt dezelfde waarschuwing. En voetgangers dienen, waar zulks maar enigszins mogelijk is, helemaal van de rijweg te blijven en zich tot de trottoirs of voetpaden te beperken. De Amerikanen zijn heel inschikkelijk, maar we kunnen op den duur toch niet te veel van hun geduld vergen.”
Ondanks dit soort waarschuwingen vond er op 17 oktober 1944, om 15.30 uur, in de Montfortstraat in Hoensbroek een tragisch verkeersongeval plaats. In een document van de gemeentepolitie van Hoensbroek is te lezen dat de 5-jarige Hubert Johannes Curfs door een Amerikaans legervoertuig werd aangereden, dat werd “bestuurd door een negersoldaat”.
In het Amerikaanse leger wilde men de rassen zo veel mogelijk gescheiden houden. Hierbij gingen zij uit van de rassenscheiding zoals dat in verschillende zuidelijke staten van de Verenigde Staten gebeurde. Het Amerikaanse leger wilde niet de Amerikaanse sociale gewoontes veranderen, maar zo gemakkelijk en snel mogelijk de oorlog winnen. Dat in een Nederlands politierapport ook raciaal onderscheid gemaakt werd heeft te maken met de opmerkelijkheid van de situatie: vóór de komst van de bevrijders had bijna niemand ooit een neger gezien.
Hubert Johannes Curfs overleed ter plaatse. Op 18 oktober 1944 deed de vader bij de ambtenaar van de burgerlijke stand aangifte van de dood van zijn zoon.

Het is niet bekend waar Hubert Johannes Curfs werd begraven.

Bronnen:
  • Burgerlijke Stand Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Centraal Bureau voor Genealogie te Den Haag
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Archief Gemeente Politie Hoensbroek
  • Veritas d.d. 25 oktober 1944
  • Paul Custers te Hoensbroek
  • Internet genealogische sites
  • terug naar boven
originele versie d.d. oktober 2018


Heinrich Thomas Janssen

Heinrich Thomas Janssen zag het levenslicht op 1 februari 1913 in Walsum, een stadsdeel van Duisberg, in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Zijn ouders waren: Hendricus Janssen, geboren op 12 april 1888 in Wellerlooi en Elisabeth Strohscheidt, geboren op 1 november 1890 in Orsoy, een stadsdeel van Rheinberg, Noordrijn-Westfalen. Zij waren op 20 november 1912 getrouwd in Hamborn, net als Walsum, een stadsdeel van Duisburg. Het echtpaar kreeg acht kinderen.
Na de geboorte van het derde kind liet het gezin zich, komend van Hamborn, op 1 mei 1916 inschrijven in het bevolkingsregister van Schinnen. Hier kwamen de laatste vijf kinderen op de wereld. Hendricus Janssen, de vader, was mijnwerker van beroep en werkte als houwer in een van de steenkolenmijnen. De ouders woonden ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Schinnen op Altaarstraat 33. De gezinsleden bezaten de Nederlandse nationaliteit.
Heinrich Thomas Janssen, de zoon, had zes jaar lagere school genoten. Op 1 februari 1933 werd hij als Gewoon Dienstplichtig Soldaat ingelijfd bij het 8e Regiment Veldartillerie (Bereden). Op 1 augustus 1933 werd hij overgeplaatst naar het 7e Regiment Veldartillerie (Bereden). Na zijn diensttijd ging hij met Groot Verlof en heeft hij als dienstbode een tijdlang in het noorden van Nederland gewoond en gewerkt.
Op 16 april 1938 trad Heinrich Thomas Janssen in Schinnen in het huwelijk met Maria Fijtje Catharina Verschuren, geboren op 18 december 1909 in Rotterdam. Korte tijd later, op 25 april 1938, liet het stel zich inschrijven in het bevolkingsregister van Hoensbroek. In deze plaats kwamen hun twee kinderen op de wereld. Het gezin woonde in Hoensbroek op Markgravenstraat 10.
Door de kritieke internationale toestand besloot de Nederlandse regering op 28 augustus 1939 tot een algemene mobilisatie. Heinrich Thomas Janssen werd opnieuw onder de wapenen geroepen en hij kwam terecht bij het 7e Regiment Veldartillerie (Bereden). Als soldaat overleefde hij de Duitse inval in mei 1940 en ging wederom met Groot Verlof.

Placeholder image
Rapport van het Gewestelijk Arbeidsbureau in Heerlen over Heinrich Thomas Janssen na diens terugkeer van de mijn Carolus Magnus in Palenberg, Duitsland.
Bron: Gemeentearchief Hoensbroek, Rijckheyt, Centrum voor regionale geschiedenis te Heerlen.

Vanaf 8 juli 1940 tot 25 juli 1942 heeft Heinrich Thomas Janssen in Duitsland gewerkt, en wel als hulphouwer in de mijn Carolus Magnus in Palenberg. Hij was onvrijwillig werkloos geworden en door de mijn ontslagen. Zijn terugkeer naar Nederland was rechtmatig en hij had geldige ontslagpapieren. In een rapport van het Gewestelijk Arbeidsbureau staat dat Heinrich Thomas Janssen zo nodig in de overheidszorg kon worden opgenomen. Later is hij gaan werken als grondwerker en los arbeider bij het Waterschap Geleen en Molenbeken.
Na de bevrijding liet Heinrich Thomas Janssen zich inschrijven in het Nederlandse leger. Hij kwam op 2 november 1944 terecht bij de 1e Compagnie, IIe Bataljon, 13e Regiment Infanterie (1-II-13 R.I.). Later werd hij overgeplaatst naar de 2e Compagnie van het bataljon (2-II-13 R.I.). Deze eenheid was voortgekomen uit een bewakingsbataljon uit de regio Heerlen. Het werd ingedeeld bij de 9th US Army en verrichtte bewakings- en bezettingstaken voor de Amerikanen in Duitsland, niet ver van de Nederlands-Duitse grens, ter hoogte van Roermond.
In april 1945 bevond Heinrich Thomas Janssen zich met zijn eenheid in Langwaden, in de omgeving van Mönchengladbach, in de Duitse deelstaat
Placeholder image
Grafsteen van Heinrich Thomas Janssen op de tegenwoordige Algemene Begraafplaats Sint Jan Evangelist in Hoensbroek. Bron: Jan van den Berg.
Noordrijn-Westfalen. Op woendagmorgen, 11 april 1945, kwam een Duitse boer uit Langwaden met de klacht dat hij door Russische en Poolse ex-gevangenen werd lastig gevallen en dat deze bij hem plunderden. In de nacht van zaterdag 7 april op zondag 8 april, hadden zij de boer met vier man overvallen. De boer vertelde ook dat zij vuurwapens en messen bij zich hadden. Op woensdagavond, 11 april 1945, omstreeks 20.00 uur, zijn een viertal Nederlandse soldaten, waaronder Heinrich Thomas Janssen, naar het Poolse kamp gegaan waar de ex-gevangenen verblijf hielden. Het kamp bevond zich op het terrein van Schloß Langwaden. Het complex werd sinds 1939 gebruikt als Arbeitslager.
In het kamp begonnen de Nederlanders naar wapens te zoeken, toen plotseling het elektrische licht uitging. De militairen en de Poolse kampcommandant zijn daarop naar buiten gegaan. Intussen waren enkele Polen naar de Amerikanen gegaan en hadden daar verteld dat Duitsers in Engelse kleding en met Duitse geweren in het kamp waren. De Nederlandse soldaten droegen inderdaad Engelse uniformen en hun wapenuitrusting was zeer divers van makelij en sommigen bezaten ook Duitse wapens.
Op dit verhaal zijn de Amerikanen naar het Poolse kamp gegaan. Toen de Polen, die in het kamp waren achtergebleven, de Amerikanen zagen aankomen, vielen zij de Nederlandse soldaten aan. Door deze plotselinge overrompeling raakten twee Nederlandse soldaten, waaronder Heinrich Thomas Janssen, helemaal van de wijs en renden weg. Daarop begonnen de Amerikanen op hen te schieten. Er vielen twee schoten. Heinrich Thomas Janssen en een andere Nederlandse soldaat werden getroffen. De twee andere Nederlanders werden door de Amerikanen ontzet, hoewel die kennelijk laat reageerden. Hierna brachten de Amerikanen de gearresteerden ter ondervraging naar het Amerikaanse kamp.
De gewonde Heinrich Thomas Janssen moest naar het Amerikaanse kamp lopen. Op weg daar naar toe verloor hij veel bloed. Bij de ondervraging gingen de Amerikanen er nog steeds van uit dat zij te maken hadden met Duitse soldaten. Hun visie werd bevestigd omdat Heinrich Thomas Janssen een Duitse bajonet droeg. Ondanks zijn verwonding moest hij bij de ondervraging, net als de anderen, zijn handen in de lucht houden. Een van zijn kameraden heeft nog gezien dat hij hevig bloedde uit de zijde. Toen Heinrich Thomas Janssen door zwakte zijn handen liet zakken werd hij opnieuw gecommandeerd de handen omhoog te steken. Aan dit bevel werd door een stoot met een karabijn kracht bijgezet. Op zeker moment zakte Heinrich Thomas Janssen langzaam in elkaar op een divan die daar stond. Hierna brachten de Amerikanen hem over naar een Amerikaans Militair Hospitaal in Mönchengladbach. Nog dezelfde avond, 11 april 1945, omstreeks 22.00 uur, overleed Heinrich Thomas Janssen in het militair hospitaal aan zijn verwonding. Later zou het de Amerikanen duidelijk worden dat zij een vergissing hadden begaan.
Placeholder image
Krantenartikel over de begrafenis van Heinrich Thomas Janssen en twee andere personen. Bron: Limburgs Dagblad 17 april 1945.

 
Placeholder image
Overlijdensadvertentie van Heinrich Thomas Janssen. Bron: Gazet van Limburg 16 april 1945.
Heinrich Thomas Janssen werd in uniform in het Sint Josephziekenhuis in Heerlen opgebaard. Op zaterdag 14 april 1945 vond in de parochiekerk Sint Jan Evangelist in Hoensbroek onder zeer grote belangstelling, zowel van militaire zijde als van de burgerbevolking, de plechtige uitvaartdienst plaats van Heinrich Thomas Janssen en een andere soldaat, te weten Wilhelmus Johannes Thomas Leblanc (zie zijn later nog te publiceren verhaal). De laatste was op 10 april 1945 in Sittard bij een verkeersongeval om het leven gekomen.
Placeholder image
Oorlogsweduwe mevrouw Ubachs-Verschuren herdenkt bij het oorlogsmonument in Hoensbroek haar gevallen man, Heinrich Thomas Janssen. Datum 5 mei 1982.
Bron: Limburgs Dagblad.
Voorafgaand aan de uitvaartdienst trok een lange stoet mensen onder dof trommelgeroffel van de markt naar de kerk. De uitvaartdienst werd geleid door een aalmoezenier en de kerk was geheel gevuld. Na de dienst werden tal van kransen van familie en vrienden, van officieren en manschappen, meegedragen naar het nabijgelegen kerkhof. De aalmoezenier sprak enkele woorden aan de open graven, waarna ten afscheid een salvo werd gelost. Het graf van Heinrich Thomas Janssen bevindt zich op de tegenwoordige Algemene Begraafplaats Sint Jan Evangelist in Hoensbroek, vak links, rij 1, nummer 4.
Op 5 mei 1982 herdacht de oorlogsweduwe, mevrouw Maria Ubachs-Verschuren, bij het oorlogsmonument in Hoensbroek haar eerste echtgenoot, Heinrich Thomas Janssen. Haar daad was niet alleen een postuum eerbetoon aan de gevallene, maar ook een protest tegen het uitblijven van een herdenking in Hoensbroek.
Eerder werd de dodenherdenking traditioneel aan de Markt in Hoensbroek gehouden. Door de herindeling is Hoensbroek een deel van Heerlen geworden en het Oranjecomité organiseerde daarom alleen in Heerlen de dodenherdenking. Dat niet alleen tot verbijstering van mevrouw Maria Ubachs-Verschuren, maar ook tot verdriet van veel andere Hoensbroekenaren, die van mening zijn, dat Hoensbroekse doden ook in Hoensbroek herdacht dienen te worden.

Heinrich Thomas Janssen bereikte de leeftijd van 32 jaar.





Bronnen:
  • Bevolkingsregister Gemeente Hoensbroek
  • Bevolkingsregister Gemeente Schinnen
  • Slachtofferregister Oorlogsgravenstichting te Den Haag
  • Ministerie van Defensie, Bureau RIOP te Kerkrade
  • Archief Gemeente Hoensbroek
  • Limburgs Dagblad d.d. 17 april 1945, 5 mei 1982
  • Gazet van Limburg d.d. 16 april 1945
  • terug naar boven
  • Internet: genealogische sites
originele versie d.d. oktober 2018

NIEUWS

Placeholder image

Fotopresentatie "Nieuw Lotbroek" op donderdag 29 november a.s.
Op donderdagavond 29 november a.s. houdt de Heemkundevereniging Hoensbroek een fotolezing over de buurt Nieuw Lotbroek in de kantine van voetbalclub FC Hoensbroek.....

Meer.....

PUBLICATIES

Placeholder image

De leden van onze vereniging verzamelen heel veel historische informatie, die we regelmatig vastleggen in allerlei publicaties in brochure- of boekvorm, maar ook ......

Meer.....

FOTO'S

Placeholder image

Hoensbroek is in de afgelopen 100 jaar gigantisch veranderd. Als je nu door het dorp loopt kun je je nauwelijks meer voorstellen hoe het er 40 of 50 jaar of nog langer geleden uitzag. Maar gelukkig hebben we nog heel veel foto's .......

Meer.....

OOS GEBROOK

Placeholder image

We houden onze leden op de hoogte van de gebeurtenissen in de vereniging, de werkzaamheden van de werkgroepen, etc. Een verenigingsblad is daarvoor bij uitstek het medium. Daarom geven we het blad Oos Gebrook uit, waarmee we hen drie maal per jaar op de hoogte houden.

Meer.....

ROMEINS HOENSBROEK

Placeholder image

Al in 1869 ontdekte burgemeester Slanghen bij het verbreden van de weg die destijds vanuit Hoensbroek naar Terschuren leidde een Romeinse platte daktegel met opstaande boorden. In een naburige akker werden stukken Romeins aardewerk gevonden .......

Meer.....

HOENSBROEK EN DE TWEEDE WERELDOORLOG

Placeholder image

Op 18 september 1944 trokken Amerikaanse troepen Hoensbroek binnen en daarmee kwam voor ons dorp een eind van een donkere periode. In de ruim 4 jaar sinds Duitse troepen ons land binnenvielen is ook aan Hoensbroek de Tweede Wereldoorlog niet ongemerkt voorbij gegaan .......

Meer.....